Archiefdocument
Origineel
-3-
~~kisek~~
moet binnen de engst mogelijke grenzen worden beperkt. Theoretisch ziet spreker feitelijk de opstelling van een markt zoodanig, dat de kooplieden, die het geheele jaar op de markt staan, bij elkaar op het beste gedeelte van de markt een plaats bezetten, daarachter staan dan de kooplieden, die regelmatig om de een of andere reden van de markt verdwijnen, en tenslotte vindt men aan het einde van de markt de losse kooplieden. Markttechnisch gezien acht spreker dit de beste oplossing, doch practisch zal dit nog wel niet ~~uitvoerbaar~~ ^uitvoerbaar^ zijn.
Spreker stelt de vraag, of er door de kooplieden veel misbruik wordt gemaakt van hetgeen hiervoren ^d.a.v. de steun^ is gesteld.
De heer Seegers antwoordt hierop, dat dit inderdaad op de markten Ten Katestraat en Albert Cuypstraat een euvel genoemd kan worden. Het is daar soms een proces, dat langer dan een jaar duurt. Spreker is van meening, dat de ambtenaxr^en^ van het Marktwezen hier wel wat soepel optreden, hoewel een en ander ook wel verklaarbaar is. Spreker acht het echter dringend gewenscht, dat hierin wijziging wordt gebracht. Spreker is van meening, dat de eenvoudige redactie die tot nu toe in het Reglement was opgenomen goed voldeed, het gaat alleen om het aantal maanden. Indien men ~~dus~~ derhalve de redactie ~~xxx~~ handhaaft, kan men het aantal maanden verminderen van zes tot vier; dit lijkt spreker de beste oplossing.
De heer Reitsma is van meening, dat men de geopperde bezwaren kan ondervangen, indien men het kalenderjaar vervangt door een jaar, dat loopt van 1 Juli tot en met 30 Juni. Theoretisch zijn dan de bezwaren wel dezelfde, doch in de practijk zal het dan wellicht niet meer voorkomen, dat een koopman acht achtereenvolgende maanden in steun is, omdat de meeste kooplieden 's zomers niet in den steun zijn. De vergadering acht dit inderdaad een uitstekende oplossing.
De Voorzitter herinnert er vervolgens aan, dat de heer Bos heeft gewezen op de bijzondere tijdsomstandigheden; ~~waaro~~ waarop de heer Seegers zegt, dat men toch geen marktkoopman kan blijven, indien men geen handel heeft. Men moet dan andere artikelen zoeken.
^Hierop^ (kanttekening)
De heer Sixma wijst op artikel 35 van het Reglement op de Markten, waarin is bepaald, dat de Directeur van het Marktwezen in bijzondere gevallen bevoegd is om ^van^ ~~de~~ bepalingen van het Reglement omtrent de toewijzing en de bezetting van de plaatsen af te wijken. Spreker zegt, dat ook thans reeds in bijzondere gevallen uitstel van de verplichting tot plaats bezetten wordt verleend; dit kan ook bij de nieuwe redactie plaatsvinden.
De Voorzitter wijst de heer De Haer erop, dat het toch feitelijk een wantoestand is, dat men een koopman toestaat, dat hij slechts twee dagen per week zijn vaste plaats op de markt bezet. Deze verplichting~~en~~ ~~behooren~~ ^behoort^ ^voor^ toch gesteld te zijn op zes dagen of op ten minste ^vier^ ~~drie~~ dagen. Drie dagen acht spreker echter wel ^per week te gelden ! ten deze^. Dit document vormt een verslag van een ambtelijke discussie over het aanscherpen van marktregels in Amsterdam. De centrale kwestie is het voorkomen van "oneigenlijk" gebruik van standplaatsen. Er wordt geconstateerd dat sommige kooplieden een vaste plek bezet houden (en daarmee anderen uitsluiten) terwijl zij feitelijk nauwelijks handel drijven en een beroep doen op de "steun" (sociale uitkering).
De voorgestelde oplossingen zijn technisch-juridisch van aard:
1. Aanpassing van de referentieperiode: Door een jaar van juli tot juni te rekenen in plaats van een kalenderjaar, wordt geprobeerd te voorkomen dat kooplieden de volledige winterperiode (waarin handel vaak minder is) aaneengesloten in de steun zitten terwijl zij hun plek behouden.
2. Verhoging van de aanwezigheidsplicht: Er wordt gedebatteerd over het verhogen van de verplichte aanwezigheid van twee naar vier dagen per week om te garanderen dat standplaatsen actief gebruikt worden. De tekst is representatief voor de naoorlogse periode in Amsterdam (vermoedelijk jaren '40 of '50), waarin de stad probeerde de economische bedrijvigheid op de markten te reguleren binnen de kaders van het opkomende sociale zekerheidsstelsel. De Ten Katemarkt en de Albert Cuypmarkt waren toen reeds iconische locaties waar de druk op de beschikbare ruimte groot was. De rol van de "Directeur van het Marktwezen" was cruciaal in het handhaven van de balans tussen de regels van het marktautoriteit en de individuele omstandigheden van de marktkooplieden. De vele doorstrepingen en toevoegingen duiden op een zorgvuldig proces van beleidsvorming.