Archief 745
Inventaris 745-313
Pagina 207
Dossier 75
Jaar 1940
Stadsarchief

Getypt verslag (notulen) met handgeschreven correcties en toevoegingen.

23 januari 1941 (gebaseerd op de handgeschreven datering onderaan).

Origineel

Getypt verslag (notulen) met handgeschreven correcties en toevoegingen. 23 januari 1941 (gebaseerd op de handgeschreven datering onderaan). -4-
[handgeschreven: het] ~~een~~ minimum, dat van de kooplieden geëischt moet worden.

De heer De Haer kan zich met het standpunt van den Voorzitter volkomen ver-
eenigen; [handgeschreven: wanneer de tijden normaal zijn neemt ook hij dit standpunt in] en wel voor wat betreft de normale tijden; spreker’s
opmerking is echter uitsluitend bedoeld voor deze abnormale
tijden.

De heer Wijngaard is van meening, dat uitstel bij plaatsbezetten slechts
moet worden verleend, indien ter zake een grondig onderzoek
heeft plaats ~~gehad.~~ gehad. Het is een euvel, dat vele kooplieden
thans trachten uitstel van plaatsbezetten te krijgen op gron-
den, die niet reëel zijn. Spreker acht de wijziging van arti-
kel 9 een uitstekende maatregel, die zal bevorderen, dat er
meer bonafide marktkooplieden op de markt komen.

De heer Seegers wijst er nog op, dat krachtens artikel 6 man en vrouw te
samen of ieder afzonderlijk van hun marktplaats~~en~~ gebruik
mogen maken. Spreker wijst erop, dat vele marktkooplieden
thans naar het buitenland zijn gegaan om te werken; de vrouw
bezet dan echter toch de marktplaats; hierdoor ontstaat echter
een wanverhouding tegenover de andere marktkooplieden. Dit
dringt zelfs door tot in de concurrentieverhoudingen. Spreker
acht het in die gevallen beter, dat de plaatshouder uitstel
wordt verleend van plaatsbezetting. Dat [handgeschreven: men] kweekt [handgeschreven: acht spreker het gewenscht, want dan] gezondere
verhoudingen. In ieder geval ~~zou~~ de echtgenoote van zoo’n
koopman [handgeschreven: als] een nieuwe marktbezoekster moeten worden [handgeschreven: beschouwd] ~~gezien~~, zoodat zij geen rechten op de plaats van haar man zou
kunnen doen gelden.

De Voorzitter begrijpt volkomen de reden, waarom de heer Seegers deze vraag
aan de orde gesteld heeft, maar spreker ziet de~~n~~ grond niet,
waarop hij ~~dit~~ [handgeschreven: hiertegen] zou kunnen ~~optreden~~ [handgeschreven: zou]; dit ~~zal~~ [handgeschreven: zou] een geheel nieuwe
figuur worden.

De heer Wijngaard wijst erop, dat deze figuur al jaren bestaat. Spreker
wijst er nog op, dat het ook voorkomt, dat een man ~~xxx~~ op een
markt staat, terwijl zijn vrouw uit andere hoofde bijverdiensten
heeft. Spreker acht het niet mogelijk dit vraagstuk afdoende
op te lossen.

Daar geen der leden verder het woord over de voorge-
stelde wijziging verlangt, besluit de Voorzitter de vergadering.

[Initialen/Handtekening] 23/1 41 Het document is een verslag van een discussie over de reglementering van standplaatsen op de markt. Er is een duidelijke spanning zichtbaar tussen het handhaven van strikte regels en de noodzaak voor flexibiliteit door de heersende omstandigheden.

  • Rechten van vrouwen: Een centraal punt is de status van vrouwen die de marktplaats van hun echtgenoot overnemen. De heer Seegers ziet dit als een verstoring van de concurrentie en pleit ervoor dat de vrouw als een nieuwe aanvrager wordt beschouwd, zonder de rechten van de man over te erven.
  • Bestrijding van misbruik: Er wordt gesproken over "bonafide" kooplieden en het voorkomen van onterecht uitstel van plaatsbezetting. Artikel 9 wordt hierbij als een belangrijk instrument gezien.
  • Taalkundige wijzigingen: De handgeschreven correcties veranderen vaak de nuance van stellend naar voorwaardelijk (bijv. "zal" naar "zou"), of verduidelijken de juridische context (bijv. "gezien" naar "beschouwd"). Het verslag is gedateerd op 23 januari 1941, wat betekent dat het is opgesteld tijdens de Duitse bezetting van Nederland in de Tweede Wereldoorlog. De "abnormale tijden" waar De Haer naar verwijst, en de opmerking van Seegers dat veel kooplieden "naar het buitenland zijn gegaan om te werken", moeten direct in de context van de oorlog worden gezien. Dit laatste duidt zeer waarschijnlijk op de tewerkstelling van Nederlandse mannen in Duitsland (Arbeidseinsatz).

De discussie toont aan hoe lokale marktbesturen worstelden met de economische en sociale gevolgen van de oorlog: enerzijds probeerde men de orde te handhaven volgens de bestaande reglementen, anderzijds werden ze geconfronteerd met een realiteit waarin de traditionele gezinssituaties en werkverhoudingen onder zware druk stonden. De aarzeling van de Voorzitter om een "nieuwe figuur" (een nieuwe juridische categorie) te introduceren, getuigt van de bureaucratische voorzichtigheid in een onzekere politieke tijd.

Samenvatting

Het document is een verslag van een discussie over de reglementering van standplaatsen op de markt. Er is een duidelijke spanning zichtbaar tussen het handhaven van strikte regels en de noodzaak voor flexibiliteit door de heersende omstandigheden.

  • Rechten van vrouwen: Een centraal punt is de status van vrouwen die de marktplaats van hun echtgenoot overnemen. De heer Seegers ziet dit als een verstoring van de concurrentie en pleit ervoor dat de vrouw als een nieuwe aanvrager wordt beschouwd, zonder de rechten van de man over te erven.
  • Bestrijding van misbruik: Er wordt gesproken over "bonafide" kooplieden en het voorkomen van onterecht uitstel van plaatsbezetting. Artikel 9 wordt hierbij als een belangrijk instrument gezien.
  • Taalkundige wijzigingen: De handgeschreven correcties veranderen vaak de nuance van stellend naar voorwaardelijk (bijv. "zal" naar "zou"), of verduidelijken de juridische context (bijv. "gezien" naar "beschouwd").

Historische Context

Het verslag is gedateerd op 23 januari 1941, wat betekent dat het is opgesteld tijdens de Duitse bezetting van Nederland in de Tweede Wereldoorlog. De "abnormale tijden" waar De Haer naar verwijst, en de opmerking van Seegers dat veel kooplieden "naar het buitenland zijn gegaan om te werken", moeten direct in de context van de oorlog worden gezien. Dit laatste duidt zeer waarschijnlijk op de tewerkstelling van Nederlandse mannen in Duitsland (Arbeidseinsatz).

De discussie toont aan hoe lokale marktbesturen worstelden met de economische en sociale gevolgen van de oorlog: enerzijds probeerde men de orde te handhaven volgens de bestaande reglementen, anderzijds werden ze geconfronteerd met een realiteit waarin de traditionele gezinssituaties en werkverhoudingen onder zware druk stonden. De aarzeling van de Voorzitter om een "nieuwe figuur" (een nieuwe juridische categorie) te introduceren, getuigt van de bureaucratische voorzichtigheid in een onzekere politieke tijd.

Kooplieden in dit dossier 62

A. Boersen Uilenburg — " —
A. Cuijpstr Waterlooplein
A. Cuypstraat Waterlooplein 89
A. Cuypstraat Waterlooplein
B. Schmiedemind Uilenburg v. Burg en Dijkema
B. Schmiedemind Uilenburg — " —
G. Burgers Uilenburg — " —
G. Hillegers Uilenburg — " —
G. Hillegers Uilenburg v. Burg.
G. Hillegers Uilenburg Renz en Uitvlugt
G. Hillegers Uilenburg — " —
J. Hillegers Uilenburg Uitvlugt
J. J. Reenslag. Uilenburg — " —
J. Hillegers Uilenburg Moerkerken en Bakker
J. Trapman Uilenburg — " —
J. v.d. Beek Uilenburg — " —
L. Scholten Uilenburg — " —
M.A.J. Roozen Uilenburg — " —
Op Zaterdag 12 October meerdere
Op Zaterdag 12 October meerdere
Op Zaterdag 15 Februari meerdere
B.J. Maart meerdere
Op Zaterdag 1 Februari meerdere
B.J. Maart meerdere
Op Zaterdag 22 Februari meerdere
B.J. Maart meerdere
Alle 62 kooplieden →

Gerelateerde Documenten 2