Getypte ambtelijke nota of adviesbrief.
Origineel
Getypte ambtelijke nota of adviesbrief. Adressant stelt voor de kooplieden te verplichten, om minstens drie dagen per week een plaats op een dagmarkt te bezetten.
De bedoeling van adressant kan myns inziens niet anders zyn, dan te willen bereiken, dat de markt een meer constante bezetting krygt. Daarby is waarschynlyk van de veronderstelling uitgegaan, dat een koopman, die verplicht wordt reeds drie dagen zyn plaats te bezetten op een dagmarkt, dit ook op de andere dagen wel zal doen. Den koopman verhinderen, om op een tweede dagmarkt een vaste plaats in te nemen, wordt door dit voorstel niet bereikt, daar een koopman dan op twee dagmarkten een plaats zou kunnen innemen.
Een constante bezetting wordt dus myns inziens niet bereikt.
Het gevolg van de invoering van een dergelyke maatregel zal zyn, dat een aantal personen, die thans reeds zeer moeilyk twee dagen een plaats kunnen bezetten, nog meer worden bemoeilykt.
De geheele opzet is myns inziens echter de kooplieden van het Waterlooplein en de Nieuwmarkt van een tweede dagmarkt uit te sluiten, terwyl de kooplieden van de overige dagmarkten oogenschynlyk in de gelegenheid worden gesteld, om op twee dagmarkten een plaats in te nemen. Ik zeg oogenschynlyk, daar een koopman, die verplicht wordt, drie dagen op een dagmarkt een plaats in te nemen en daarnaast een plaats inneemt op een weekmarkt, geen plaats op een tweede dagmarkt kan bezetten.
Wanneer inderdaad een meer constante bezetting der dagmarkten zou moeten worden bereikt, dan zouden de kooplieden myns inziens niet moeten worden verplicht minstens drie, doch minstens vier dagen per week een plaats op een der dagmarkten in te nemen,
Voor de kooplieden, die door den aard van hun artikel, niet vier dagen een plaats op een dagmarkt kunnen innemen - handelaren in wild en gevogelte, paling, zuurwaren, etc. en hierby niet te vergeten de standwerkers - zou dan een apart gedeelte der markt kunnen worden aangewezen, op welk gedeelte de bepaling, dat minstens vier dagen een plaats moet worden ingenomen, niet geldt.
Wanneer ik overtuigd ware, dat de markten Waterlooplein en Nieuwmarkt, in geval de vaste plaatshouders van deze markten, des Zaterdags hun plaatsen normaal zouden bezetten, op dien dag voldoende publiek zouden trekken, of wanneer ik overtuigd ware, dat alle kooplieden van genoemde markten, die dit wenschten, een plaats zouden kunnen innemen op de weekmarkten, welke op Zaterdag worden gehouden, zou ik een voorstel om de kooplieden te verplichten minstens vier dagen per week een plaats op een dagmarkt te moeten innemen, wanneer althans de financieele gevolgen van een dergelyke ingrypende wyziging niet al te funest voor de Gemeente zouden zyn, wel kunnen steunen. Dit voorstel dan geamendeerd, als hierboven door my aangegeven.
Aangezien voor my, los van de financieele gevolgen, vast staat, dat noch de markt Waterlooplein, noch de Nieuwmarkt des Zaterdags voldoende koopers zullen trekken, terwyl het bovendien vast staat, dat de weekmarkten, welke op Zaterdag worden gehouden, niet voldoende plaats bieden voor de kooplieden van opgemelde markten, zou enkel worden bereikt, dat een bepaalde groep kooplieden op een van de beste marktdagen der week, dus op Zaterdag, van het innemen van vaste marktplaatsen zou worden verstoken.
Hierby moet niet uit het oog worden verloren, dat adressant tevens voorstelt de Zondagsmarkt niet meer te houden. Kooplieden, die uit godsdienstige overwegingen, des Zaterdags hun plaats niet innemen, doch wel des Zondags op Uilenburg een plaats bezetten, zouden dus voortaan slechts vyf dagen kunnen markten. Dit is misschien een kleine groep, de kooplieden tot deze groep behoorende zyn voor hun gezinsinkomens nu eenmaal daarop ingesteld.
De gevolgen van invoering van dergelyke voorstellen, acht ik voor bepaalde groepen van kooplieden zoo funest, dat ik meen U in overweging te moeten geven, daarop afwyzend te adviseeren. In dit document adviseert een ambtenaar of deskundige negatief over een plan om marktkooplieden te verplichten minimaal drie dagen per week op een dagmarkt aanwezig te zijn. De kernargumenten van de auteur zijn:
- Ineffectiviteit: Het voorstel van drie dagen zou de gewenste "constante bezetting" niet garanderen. De auteur stelt dat vier dagen effectiever zou zijn, mits er uitzonderingen komen voor specifieke branches (zoals handelaren in bederfelijke waren en standwerkers).
- Economische onhaalbaarheid: Markten zoals het Waterlooplein en de Nieuwmarkt trekken op zaterdagen volgens de auteur onvoldoende publiek om een verplichte bezetting te rechtvaardigen.
- Benadeling van specifieke groepen: De auteur wijst op de sociale gevolgen. Vooral de joodse kooplieden worden geraakt. Omdat zij op zaterdag (sabbat) niet werken en het voorstel ook de zondagsmarkt op Uilenburg wil afschaffen, zouden zij in grote financiële problemen komen.
- Capaciteitsproblemen: Er is op de zaterdagse weekmarkten simpelweg geen plek voor alle kooplieden die dan gedwongen zouden worden daarheen uit te wijken. Dit document biedt een inkijkje in het Amsterdamse marktwezen in een periode van toenemende regulering. De genoemde locaties — Waterlooplein, Nieuwmarkt en Uilenburg — vormden het hart van de joodse buurt in Amsterdam.
De tekst is historisch significant omdat het expliciet refereert aan de zondagsmarkt op Uilenburg en de kooplieden die "uit godsdienstige overwegingen des Zaterdags hun plaats niet innemen". Dit duidt op de spanning tussen de gemeentelijke drang naar uniformiteit en efficiëntie enerzijds, en de religieuze praktijk van de joodse bevolking anderzijds. Het voorstel om de zondagsmarkt af te schaffen, was in die tijd een zeer beladen onderwerp dat de bestaanszekerheid van duizenden joodse Amsterdammers direct bedreigde. De auteur van dit document lijkt zich bewust van deze sociale en religieuze gevoeligheden en adviseert daarom behoedzaam en afwijzend.