Getypte brief/rapportage (pagina 2).
Origineel
Getypte brief/rapportage (pagina 2). 17 september 1940. De Inspecteur (naam niet vermeld op deze pagina). -2-
Myn indruk is, dat adressant de materie niet voldoende beheerscht om alle mogelyke consequenties van zyn voorstellen van te voren te kunnen overzien.
Ik stel voorop, dat met de financieele kant van deze zaak geen rekening is gehouden.
Een belangryk feit is zeker niet onder het oog gezien en wel het volgende.
Adressant wil uitsluitend de kooplieden van het Waterlooplein en van de Nieuwmarkt beletten een plaats op een der andere dagmarkten in te nemen. Het gevolg van een en ander zal myns inziens zyn, dat de kooplieden van de markten Waterlooplein en Nieuwmarkt eenvoudig voor hun vaste plaatsen op deze markten zullen bedanken, vaste plaatsen op de andere dagmarkten gaan innemen en op de markten Waterlooplein en Nieuwmarkt losse plaatsen gaan bezetten.
Dit zou vooral voor de markt op het Waterlooplein funest zyn. Deze markt zou door de slechte bezetting, haar aantrekkelykheid voor het publiek verliezen.
De Nieuwmarkt, die thans reeds een lydend bestaan vindt, zou dan zeer zeker haar langsten tyd hebben gehad, daar de kleine groep kooplieden dezer markt dan zeer zeker zouden trachten op andere markten of op andere wyze een bestaan te vinden.
Amsterdam, 17 September 1940.
De Inspecteur, In dit document geeft een inspecteur een vernietigend oordeel over een voorstel van een niet nader genoemde "adressant". De kern van de kritiek is dat de indiener de praktische en financiële gevolgen van zijn plannen niet overziet.
De adressant stelde voor om marktkooplieden van het Waterlooplein en de Nieuwmarkt te verbieden op andere Amsterdamse dagmarkten te staan. De inspecteur voorziet echter een averechts effect: kooplieden zullen hun vaste (betaalde) plekken op deze markten opgeven om elders een vaste plek te bemachtigen, terwijl ze op het Waterlooplein en de Nieuwmarkt slechts als 'losse' (incidentele) standplaatshouders zullen verschijnen.
Dit zou volgens de inspecteur leiden tot een neerwaartse spiraal: een slechtheid bezetting leidt tot minder publiek, wat uiteindelijk het einde zou betekenen voor de toch al zwakke Nieuwmarkt. De datum van dit document, 17 september 1940, is van cruciaal historisch belang. De Nederlandse bevolking leefde op dat moment vier maanden onder Duitse bezetting.
De focus op specifiek het Waterlooplein en de Nieuwmarkt is veelzeggend. Deze markten bevonden zich in het hart van de Joodse buurt van Amsterdam. Hoewel de tekst in ambtelijke termen spreekt over "financieele kanten" en "bezetting", vonden deze discussies plaats in een tijd waarin de bezetter begon met het stelselmatig beperken van de bewegingsvrijheid en economische positie van Joodse burgers. In 1941 zouden deze markten door de nazi's officieel worden aangewezen als "Joodse markten", waar niet-Joden niet meer mochten kopen of verkopen.
Dit document biedt een blik op de ambtelijke voorbereidingen of reacties op voorstellen die de economische structuur van deze specifieke buurtmarkten direct zouden beïnvloeden aan de vooravond van de totale segregatie.