Archief 745
Inventaris 745-313
Pagina 341
Dossier 29
Jaar 1940
Stadsarchief

Getypte rapportage of pamflet (één pagina).

Origineel

Getypte rapportage of pamflet (één pagina). Vaak zijn zij in het bezit der beste plaatsen die als regel vier dagen der week bezet worden door kooplieden, welke dagelijks komen, doch 's Zaterdags retireeren of geheel verdwijnen moeten wegens plaatsgebrek. Het zijn de voorschriften, die deze "marktschuimers" de kans geven. In den regel zijn het kooplieden van het Waterlooplein die er enkele uren uitbreken om aan hun "reglementverplichtingen" te voldoen.

Er wordt uitgestald op een manier van: "Nu, ja, ik moet hier tot drie uur wezen, en in die tusschentijd moet ik toch ook eten ..!" zoodat practisch van een nuttige handeling ten opzichte van het publiek en de vakgenooten niets terecht komt, of liever gezegd, zij berokkenen door hun handelingen de werkelijk dagelijks verschijnende kooplieden schade.

Laten deze kooplieden liever op het Waterlooplein blijven of thuis voor mijn part, en laten zij de werkelijke komers een kans geven. Een tweede groep is de groep permanente steuntrekkers. Deze heeft in den regel vaak eveneens de beste plaatsen. Heeft zij lust, weer eens te gaan markten, dan staat hun bedje gespreid en de werkelijke distribuant, die door dagen getoond heeft, dat erwel een boterham op die plaatsen te verdienen is, moet verdwijnen.

Van de bepalingen van het marktreglement wordt niets aangetrokken al is het half jaar wachttijd verstreken, zij blijft toch plaatsbezitster.

Een andere belangrijke factor is, dat door de overheid systematisch belangrijke hoeveelheden goederen van de markt wordt geweerd, daar het verboden is als marktkoopman in compagnonschap zaken te doen op de straatmarkten. Toestemming hiervoor wordt niet gegeven, behalve op het Waterlooplein, waar het een stilzwijgende conditie is. Deze drie factoren hebben tot gevolg, dat de markten in hun levensaderen worden aangetast en ziek worden. Een zeer gerechtvaardigde ontevredenheid heerscht bij de werkelijke marktbouwers, die het onrecht niet onder stoelen of banken steken. De vraag rijst allicht, hoe zoo'n toestand is ontstaan.

Het antwoord hierop is spoedig gegeven.

De invloed van het groote aantal joodsche marktorganisaties bij een joodsche directie en Wethouder van Meurs is niet te onderschatten. Vergadering op vergadering wordt op het hoofdkantoor van Marktwezen gehouden en op deze "praatcolleges" worden de "beschermende" bepalingen gefabriceerd.

Het joodsche element der marktkooplieden profiteert daar in de eerste plaats van, want het doet wel eigenaardig aan, dat die niet-joodsche kooplieden in de wintermaanden vooral de markten bevolken, behalve op het Waterlooplein natuurlijk, waar op ongeveer 400 plaatsen ongeveer tien niet-joodsche kooplieden een plaats bezetten. De meerderheid der joodsche kooplieden zijn dan gepensioneerd door M.W. en breekt het voorjaar aan, dat voor hen ongeveer De tekst is een ongezouten kritiek op het Amsterdamse marktbeleid van die tijd. De auteur klaagt over drie hoofdzaken:
1. "Marktschuimers": Kooplieden (voornamelijk van het Waterlooplein) die plekken bezet houden enkel om aan hun minimale verplichtingen te voldoen, waardoor daghandelaren worden weggedrukt.
2. "Steuntrekkers": Mensen met een uitkering die voorrang zouden krijgen op de beste plekken zodra zij besluiten weer te gaan handelen.
3. Corruptie/Vooringenomenheid: De tekst beweert dat de dienst "Marktwezen" en Wethouder van Meurs onder invloed staan van Joodse organisaties, wat zou leiden tot regels die gunstig zijn voor Joodse handelaren ten nadele van niet-Joodse handelaren.

De toon is polemisch en discriminerend. Er wordt gesproken over markten die "ziek worden" en "het joodsche element" dat profiteert. De tekst eindigt abrupt onderaan de pagina. Dit document stamt zeer waarschijnlijk uit de vroege periode van de Duitse bezetting in Nederland (1940-1941). Bernardus Cornelis van Meurs was een RKSP-wethouder in Amsterdam die onder andere Marktwezen in zijn portefeuille had. Hij werd in maart 1941 door de bezetter ontslagen toen de gemeenteraad werd ontbonden.

De tekst weerspiegelt de groeiende spanningen op de Amsterdamse markten en de opkomst van antisemitisme in de ambtelijke en publieke sfeer. In deze periode werden Joodse Amsterdammers stapsgewijs uit het openbare leven verdrongen. Beschuldigingen zoals in dit document — dat Joden onterechte voordelen zouden genieten of de economie zouden "verzieken" — waren typerend voor de nationaalsocialistische propaganda en werden gebruikt om de latere uitsluiting van Joodse kooplieden van de openbare markten te rechtvaardigen. Het document is waarschijnlijk opgesteld door een ontevreden (niet-Joodse) belangengroep of een nationaalsocialistische instantie.

Samenvatting

De tekst is een ongezouten kritiek op het Amsterdamse marktbeleid van die tijd. De auteur klaagt over drie hoofdzaken:
1. "Marktschuimers": Kooplieden (voornamelijk van het Waterlooplein) die plekken bezet houden enkel om aan hun minimale verplichtingen te voldoen, waardoor daghandelaren worden weggedrukt.
2. "Steuntrekkers": Mensen met een uitkering die voorrang zouden krijgen op de beste plekken zodra zij besluiten weer te gaan handelen.
3. Corruptie/Vooringenomenheid: De tekst beweert dat de dienst "Marktwezen" en Wethouder van Meurs onder invloed staan van Joodse organisaties, wat zou leiden tot regels die gunstig zijn voor Joodse handelaren ten nadele van niet-Joodse handelaren.

De toon is polemisch en discriminerend. Er wordt gesproken over markten die "ziek worden" en "het joodsche element" dat profiteert. De tekst eindigt abrupt onderaan de pagina.

Historische Context

Dit document stamt zeer waarschijnlijk uit de vroege periode van de Duitse bezetting in Nederland (1940-1941). Bernardus Cornelis van Meurs was een RKSP-wethouder in Amsterdam die onder andere Marktwezen in zijn portefeuille had. Hij werd in maart 1941 door de bezetter ontslagen toen de gemeenteraad werd ontbonden.

De tekst weerspiegelt de groeiende spanningen op de Amsterdamse markten en de opkomst van antisemitisme in de ambtelijke en publieke sfeer. In deze periode werden Joodse Amsterdammers stapsgewijs uit het openbare leven verdrongen. Beschuldigingen zoals in dit document — dat Joden onterechte voordelen zouden genieten of de economie zouden "verzieken" — waren typerend voor de nationaalsocialistische propaganda en werden gebruikt om de latere uitsluiting van Joodse kooplieden van de openbare markten te rechtvaardigen. Het document is waarschijnlijk opgesteld door een ontevreden (niet-Joodse) belangengroep of een nationaalsocialistische instantie.

Kooplieden in dit dossier 62

A. Boersen Uilenburg — " —
A. Cuijpstr Waterlooplein
A. Cuypstraat Waterlooplein 89
A. Cuypstraat Waterlooplein
B. Schmiedemind Uilenburg v. Burg en Dijkema
B. Schmiedemind Uilenburg — " —
G. Burgers Uilenburg — " —
G. Hillegers Uilenburg — " —
G. Hillegers Uilenburg v. Burg.
G. Hillegers Uilenburg Renz en Uitvlugt
G. Hillegers Uilenburg — " —
J. Hillegers Uilenburg Uitvlugt
J. J. Reenslag. Uilenburg — " —
J. Hillegers Uilenburg Moerkerken en Bakker
J. Trapman Uilenburg — " —
J. v.d. Beek Uilenburg — " —
L. Scholten Uilenburg — " —
M.A.J. Roozen Uilenburg — " —
Op Zaterdag 12 October meerdere
Op Zaterdag 12 October meerdere
Op Zaterdag 15 Februari meerdere
B.J. Maart meerdere
Op Zaterdag 1 Februari meerdere
B.J. Maart meerdere
Op Zaterdag 22 Februari meerdere
B.J. Maart meerdere
Alle 62 kooplieden →

Gerelateerde Documenten 2