Ambtelijk schrijven / Verslag van bevindingen en advies.
Origineel
Ambtelijk schrijven / Verslag van bevindingen en advies. De Inspecteur der Successie en Registratie met wien ik het in den aanhef bedoelde stuk besprak, verklaarde op mijn desbetreffende vraag, dat de Minister, die krachtens artikel 99 lid 3 der Wet bevoegd is in bijzondere gevallen kwijtschelding van recht en boete te verleenen, zeer waarschijnlijk bereid zal zijn in dit geval van deze bevoegdheid gebruik te maken, aangezien uiteraard de goede trouw van de Gemeente ten deze vaststaat. Juist omdat deze goede trouw werd aangenomen, verzocht de Inspecteur in zijn brief, om hem op te geven, welke personen in 1938, 1939 en de eerste maanden van 1940 visch – anders dan die door hem zelf werd gevischt – in den afslag lieten verkoopen. De bedoeling was, dat de Administratie zelf bij deze verkoopers een navordering van het recht zou indienen en dus niet de Gemeente terzake zou belasten.
Ik deelde den Inspecteur echter mede, dat het voor mijn dienst een haast ondoenlijke opgave is, om uit de vele duizenden afslagbriefjes van de laatste jaren uit te zoeken, wie de eigenlijke verkoopers der verschillende partijen visch zijn geweest.
Indien de Minister bereid is, om terzake aan de Gemeente, die het recht formeel verschuldigd is, kwijtschelding te verleenen, zou deze uiterst omvangrijke arbeid kunnen worden bespaard. Ik stel dus voor een terzake strekkend request aan het Departement van Financiën te richten.
Naast deze aangelegenheid, die op het verleden betrekking heeft en van veel meer belang nog dan deze, is evenwel de vraag, of voortaan het registratierecht door den afslag aan de verkoopers (voor zoo ver dezen niet de visschers zijn) moet worden berekend. Indien wordt aangenomen, dat de afslag "openbaar" is in den zin der Registratiewet 1917 zal aan de voorschriften van het bovenaangehaalde Koninklijk Besluit van 4 Mei 1917 (S.384) moeten worden voldaan, tenzij de Minister termen aanwezig acht voor het bijzondere geval van den Amsterdamschen, gemeentelijken vischafslag, krachtens artikel 99 lid 3 der Wet kwijtschelding te verleenen. Ik ben van meening, dat hiervoor zeer sterke motieven kunnen worden aangevoerd.
De Vischafslag van Amsterdam werkt uitsluitend in het algemeen belang. Ten bewijze hiervan diene, dat het gemeente-bedrijf der Vischmarkt, waarvan de afslag verreweg het belangrijkste onderdeel is, jaarlijks een belangrijken verliespost oplevert (in 1938 f 8.236,-; in 1939 f 8.212,-). De voornaamste reden, waarom de afslag in stand wordt gehouden is, om vele honderden Amsterdamsche vischventers, die niet kapitaalkrachtig genoeg zijn om in IJmuiden te koopen (waar onder andere een waarborgsom van f 200,- per kooper moet worden gesteld), in staat te stellen zich van visch te voorzien. Zou de afslag verdwijnen, hetgeen op grond van de bedrijfsresultaten reeds is overwogen, dan zouden de vorenbedoelde vischventers op maatschappelijke steun zijn aangewezen. De afslag heeft dan ook in de eerste plaats een sociale beteekenis.
Een nieuwe heffing van 0,6% zou den aanvoer in den afslag ongunstig beïnvloeden, aangezien de verkoopers, die hun goederen in den afslag zenden, ongetwijfeld naar andere middelen zullen zoeken, om deze belasting niet te behoeven te betalen. Het is mogelijk, dat zij een deel hunner visch aan de grossiers, die op het buitenterrein der markt "uit de hand" verkoopen, in consignatie zullen geven; waarschijnlijker is, dat zij zullen trachten hun visch elders, buiten * Kernproblematiek: Het document behandelt een fiscaal conflict tussen de Belastingdienst (Inspectie der Successie en Registratie) en de Gemeente Amsterdam over het verschuldigde registratierecht op de visverkoop.
* Administratieve last: De auteur benadrukt dat het retroactief identificeren van specifieke verkopers uit "vele duizenden afslagbriefjes" administratief onmogelijk is.
* Juridisch argument: Er wordt een beroep gedaan op artikel 99 lid 3 van de Registratiewet 1917, dat de Minister van Financiën de macht geeft om kwijtschelding te verlenen bij "bijzondere gevallen".
* Sociaal-economisch argument: De auteur verdedigt het voortbestaan van de verlieslatende visafslag door te wijzen op de sociale functie: het ondersteunen van kleine Amsterdamse visventers die geen toegang hebben tot de grotere markt in IJmuiden. Een extra heffing van 0,6% zou de marktpositie van de afslag ondermijnen ten gunste van de informele handel ("uit de hand" verkoop). Dit document biedt een inkijk in de Amsterdamse vishandel aan de vooravond van of tijdens de vroege periode van de Tweede Wereldoorlog. In die tijd was de Centrale Markthal aan de Jan van Galenstraat het centrum van de Amsterdamse voedselvoorziening. De tekst illustreert de spanning tussen de behoefte van de rijksoverheid aan belastinginkomsten en de behoefte van de gemeente om kwetsbare groepen kleine zelfstandigen (de "vischventers") te beschermen tegen bureaucratische en financiële druk. Het verlieslatende karakter van de gemeentelijke vismarkt werd geaccepteerd als een vorm van indirecte sociale zorg, bedoeld om te voorkomen dat deze groep werklozen een beroep zou moeten doen op de directe steun (de toenmalige "Armenzorg"). Gemeente Amsterdam