Handgeschreven ambtelijke notitie / rapportage.
Origineel
Handgeschreven ambtelijke notitie / rapportage. 9 november 1936 (met latere aantekening van 12-11-'36). Aan Weth. P. M. kan m.i. worden medegedeeld
dat de olieventers aan de overzijde van het IJ ge-
regeld worden gecontroleerd en tegen overtreders
proces-verbaal wordt opgemaakt.
Het is echter uiterst moeilijk om tegen olie-
venters op te treden daar deze als regel voorge-
ven uitsluitend vaste klanten te bedienen en dan pas
verbaal kan (mag) worden opgemaakt indien het ver-
koopen [?] wordt geconstateerd. ~~Samen met controleur Valburg~~
Persoonlijk ben ik op ~~Donderdagavond~~ 5 November j.l.
van 9 tot 12 uur aan de overzijde van het IJ geweest,
doch heb geen enkele overtreder aangetroffen.
(Zie verder de verschillende rapporten).
Tenslotte zij nog opgemerkt dat op
Zaterdag 31 Oct. j.l. tegen adressant 9-11-’36
proces-verbaal is opgemaakt. de Boer [?]
[In marge/onderaan:]
12/11 - ’36
3. [Paraaf]
72/216/2 De kern van dit document is een verantwoording van een ambtenaar (vermoedelijk een inspecteur of politiefunctionaris) aan de wethouder over de handhaving van de regelgeving voor olieventers. In de jaren '30 was straathandel aan strikte banden gelegd.
De schrijver legt uit waarom het lastig is om bekeuringen uit te delen: de venters gebruiken de "vaste klanten"-smoes. Als zij beweren alleen bij vaste klanten te bezorgen, vallen zij onder andere regels dan wanneer zij actief op straat aan willekeurige passanten verkopen. Om een proces-verbaal te mogen uitschrijven, moet de daadwerkelijke verkoop aan een niet-vaste klant op heterdaad geconstateerd worden. De ambtenaar meldt dat hij zelf op 5 november 1936 een nachtelijke surveillance heeft uitgevoerd (tussen 21:00 en 00:00 uur) in Amsterdam-Noord, maar zonder resultaat. Wel meldt hij dat de specifieke "adressant" (de persoon over wie de klacht of de correspondentie waarschijnlijk gaat) onlangs nog op de bon is geslingerd (31 oktober). Dit schrijven moet geplaatst worden in de context van de economische crisis van de jaren '30 in Amsterdam. De werkloosheid was hoog en veel mensen probeerden wat te verdienen met straathandel (zoals het uitventen van petroleum voor lampen en kachels). De gevestigde winkeliers klaagden vaak over deze concurrentie, wat leidde tot strengere controles door de gemeente en de politie.
De term "de overzijde van het IJ" duidt specifiek op Amsterdam-Noord, dat in die tijd een sterk groeiend stadsdeel was met veel arbeiderswoningen waar petroleum een belangrijke brandstof was. De handhaving was vaak een kat-en-muisspel tussen de kleine handelaren en de controlerende instanties. De datum (november) is logisch: met het intreden van de kou nam de handel in brandolie toe. Wethouder P.M. (mogelijk Pieter Maria van Lunteren destijds wethouder) controleur Valburg (genoemd in doorhaling) de ondertekenaar (waarschijnlijk "de Boer").