Ambtelijke notitie/rapportage.
Origineel
Ambtelijke notitie/rapportage. 12 januari 1939 (met onderaan een verwijzing naar 24-12-'38). dat de contróle in Noord
en speciaal in Tuindorp
Oostzaan onvoldoende is,
is m.i. dan ook onjuist.
Zij wilden van hun ventver-
gunning af en inplaats van
nu maar ronduit te verkla-
ren, dat zij momenteel uit-
sluitend vaste klanten be-
dienen en dus geen ventver-
gunning noodig hebben,
komen zij met praatjes over
slechte contróle. T
De Wethouder heeft naar aan-
leiding van de klachten van ge-
noemde kooplieden gemeend
er nogmaals op te moeten aan-
dringen toch vooral in Noord
te controleeren.
Hierna is goede nota
genomen.
12 Jan. 39
[handtekening: Ridder]
Inspecteur
[Marge-notitie bij T]:
T Het afteekenen van hun
ventverg. heeft dan feitelijk
geen zin meer : ze venten
immers niet.
[Onderste tekstblok]:
Hiernevens doe ik U nog toe-
komen een rapport van den controleur
Dijkema. Uit dit rapport blijkt, dat
de klachten van de kooplieden geen be-
trekking hebben op de wijze waarop
de contróle plaats vindt, doch op het
feit dat allerlei personen zich in
den straathandel kunnen begeven,
door vorming van z.g.n. vaste
klantenwijken. Hun grief is dat tegen
deze personen niets kan worden opgetreden. 24-12-'38 De tekst is een ambtelijke weerlegging van klachten van kooplieden in Amsterdam-Noord. De schrijver (de Inspecteur) stelt dat de klachten over gebrekkige controle ongegrond zijn. Volgens de inspecteur gebruiken de kooplieden dit argument als een "smoes": ze willen eigenlijk van hun ventvergunning af omdat ze inmiddels uitsluitend aan vaste klanten leveren (waardoor ze strikt genomen geen 'venters' meer zijn). De wethouder neemt de klachten echter serieus en dringt aan op verscherpt toezicht.
In het tweede deel van het document wordt de kern van het handhavingsprobleem benoemd: de opkomst van "zogenaamde vaste klantenwijken". Personen zonder ventvergunning konden zo toch in de straathandel opereren door te claimen dat zij vaste afnemers hadden, wat de inspectie juridisch gezien machteloos maakte ("niets kan worden opgetreden"). Dit document weerspiegelt de economische spanningen in de jaren '30 in de Amsterdamse tuindorpen. In deze periode was er een voortdurende strijd tussen de gevestigde winkeliers, erkende venters en ongeoorloofde straathandelaren. De overheid probeerde de markt te ordenen via vergunningsstelsels, maar handelaren zochten continu naar mazen in de wet, zoals de hier genoemde 'vaste klantenwijken', om leges en strenge regels te ontduiken. Tuindorp Oostzaan was indertijd een relatief geïsoleerde nieuwe wijk waar de distributie van levensmiddelen een belangrijke lokale kwestie was.