Getypte brief (doorslag op dun papier)
Origineel
Getypte brief (doorslag op dun papier) 2 januari 1941 De Directeur (vermoedelijk van de Dienst der Markten of een vergelijkbare gemeentelijke instantie in Amsterdam) extra
D/HG.
den Heer G. Schaap,
Zuideinde 27,
MONNIKENDAM.
90/94/2 M. 2 Januari 1941.
Naar aanleiding van Uw brief d.d. 11 December jl. bericht
ik U, dat Uw plaats op de markt Mosplein niet voor U beschikbaar kan
worden gehouden; deze plaats is gerekend te zijn ingegaan 30 Decem-
ber jl. ingetrokken. Ik geef U in overweging, U, zoodra er weder
handel is, onmiddellijk te laten inschrijven op de sollicitantenlijst
voor bovengenoemde markt.
De Directeur, * Inhoud: De brief is een zakelijke mededeling aan de heer G. Schaap uit Monnikendam. Hem wordt medegedeeld dat zijn vaste standplaats op de markt aan het Mosplein (Amsterdam-Noord) per 30 december 1940 is ingetrokken. Dit gebeurt naar aanleiding van een brief van de heer Schaap zelf, wat suggereert dat hij wellicht had aangegeven (tijdelijk) niet te kunnen komen.
* Toon: De toon is ambtelijk en beslist. Er wordt geen expliciete reden gegeven voor de intrekking, anders dan de verwijzing naar de correspondentie van de geadresseerde.
* Opmerkelijke passage: De zinsnede "zoodra er weder handel is" is interessant. Het impliceert dat de handel op dat moment verstoord of gestaakt was, wat direct gelinkt kan worden aan de oorlogsomstandigheden, schaarste aan goederen of specifieke beperkende maatregelen die door de bezetter waren opgelegd.
* Administratieve context: De afkortingen en nummers (90/94/2 M.) duiden op een gestroomlijnde gemeentelijke administratie. De toevoeging "extra" in handschrift wijst mogelijk op een extra kopie voor een specifiek dossier of een afwijkende verzendwijze. De brief dateert van januari 1941, de eerste winter van de Duitse bezetting van Nederland. In deze periode werden markten in Amsterdam zwaar getroffen door nieuwe verordeningen. Het Mosplein in Amsterdam-Noord was een belangrijke lokale markt. Hoewel de brief op zichzelf een routineus administratief karakter lijkt te hebben, valt hij in een tijdvak waarin de bezetter steeds meer grip kreeg op het economische leven en de distributie van goederen. Bovendien werden vanaf begin 1941 joodse kooplui steeds vaker geweerd van openbare markten, hoewel uit deze specifieke brief niet direct blijkt of de heer Schaap joods was of dat de intrekking om die reden plaatsvond. De suggestie om zich opnieuw op een "sollicitantenlijst" te laten plaatsen zodra de handel hernam, duidt op een onzekere economische situatie voor marktlui in de oorlogsjaren.