Ambtelijke brief/rapportage.
Origineel
Ambtelijke brief/rapportage. 16 juli 1941 (met een doorgehaalde referentie naar 1938). De Directeur van de dienst Marktwezen (ondertekening onduidelijk, mogelijk bijgevoegd met paraaf "ay"). [Linksboven in rood potlood:] 60/21/1
[Midden boven:] 16/7/41 ~~1938~~
den Heer Wethouder
voor de Levensmiddelen.
Alhier.
Maandelijksch overzicht over
Juni 1941 van ontvangsten
en uitgaven dienst Marktwezen.
Gevolg gevende aan de opdracht vervat in de circulaire van Uw Ambtsgenoot voor de Financiën a.d. 20 Juli 1939 (no. 907/203 FIN 1939) heb ik de eer U in bijlage dezes een overzicht over de maand Juni 1941 te doen toekomen van den dienst van het Marktwezen.
De ramingen op de verschillende nummers van de begrooting van uitgaven van dezen dienst voor het dienstjaar 1941 zullen, naar ik verwacht, voldoende zijn.
Ten aanzien van volgnr. 87 (markt-standplaats- en rentgelden) van de begrooting van ontvangsten van dezen dienst voor genoemd dienstjaar meen ik als mijn verwachting te moeten uitspreken, dat, in verband met de buitengewone tijdsomstandigheden, een tekort te verwachten is welke met ongeveer f 30000.= beneden het geraamde bedrag van f 154000.= zal blijven.
De Directeur,
[Onleesbare handtekening]
[In rood potlood:] ay
[Linksonder:] RD 2 Het document is een zakelijke correspondentie binnen een gemeentelijk apparaat (waarschijnlijk Amsterdam of een andere grote Nederlandse stad, gezien de schaal van de bedragen). De tekst is geschreven in de formele ambtelijke stijl van de vroege 20e eeuw, inclusief de toen geldende spelling (bijv. "maandelijksch", "begrooting").
De kern van de brief is een financiële prognose. Hoewel de uitgaven binnen het budget blijven, waarschuwt de directeur voor een aanzienlijk tekort aan inkomsten op post 87 (marktgelden). Er wordt een tekort van 30.000 gulden voorzien op een begroot totaal van 154.000 gulden, wat een daling van bijna 20% betekent. De datum van het document, 16 juli 1941, is cruciaal voor het begrijpen van de inhoud. Nederland was op dat moment ruim een jaar bezet door nazi-Duitsland. De term "buitengewone tijdsomstandigheden" is een eufemisme dat in ambtelijke stukken uit die periode steevast werd gebruikt om de oorlog en de bezetting aan te duiden.
Het verwachte tekort aan marktgelden is direct te herleiden naar de oorlogssituatie:
1. Schaarste: Door de rantsoenering en het gebrek aan goederen was er minder handel op de markten.
2. Uitsluiting: In 1941 werden Joodse marktkooplieden steeds verder uitgesloten van het openbare leven en de markthandel, wat leidde tot leegstaande standplaatsen.
3. Vervoersproblemen: Door gebrek aan brandstof en gevorderde voertuigen was de aanvoer van producten naar de markten bemoeilijkt.
De geadresseerde, de Wethouder voor de Levensmiddelen, bekleedde in oorlogstijd een van de moeilijkste posten, aangezien hij verantwoordelijk was voor de voedselvoorziening van de burgerbevolking onder het regime van de bezetter.