Handgeschreven overzicht/berekening van personeelskosten.
Origineel
Handgeschreven overzicht/berekening van personeelskosten. Omstreeks 1942 (betreft de boekjaren 1941 en 1942). 1. Uitk. aan ambtenaren
tot hun ontslag de gemeente
verplicht werd.
A. Prins
1/3. 1941. 31/5. 1941. 3/12 van 3719.- = 929.75
1/6 1941. 31/12. 1941. 7/12 van 3063. 1786.75
2716.50
- 3063 -
A. R. Drukker
1/3. 41. 31/5 1941. 3/12 van 2189. 547.25
1/6 41. 31/12 1941 7/12 van 1803. 1051.75
1599 -
1942 1803.
D. v. d. Laan
- 2829.-
1942 2716.50
1599 -
2829
7144.50
[Rechtsonder:]
2829.-
7695 -
1942 Het document is een administratieve berekening van de kosten die de gemeente maakte voor ambtenaren die zij gedwongen moest ontslaan. De koptekst verwijst expliciet naar deze verplichting. Uit de data (ontslag per 1 maart 1941) en de namen blijkt dat dit betrekking heeft op de Duitse verordening 137/1940, die het ontslag van Joodse ambaren in het bezette Nederland beval.
De berekeningen tonen aan dat de ambtenaren na hun ontslag in maart 1941 overgingen op een lagere uitkeringsgrondslag (waarschijnlijk wachtgeld):
* Bij A. Prins daalde de grondslag van f 3719,- naar f 3063,- per jaar.
* Bij A.R. Drukker daalde deze van f 2189,- naar f 1803,- per jaar.
Onderaan worden de totalen berekend voor de gehele post "ontslagen ambtenaren": voor het jaar 1941 bedroegen de kosten f 7144,50 en voor het volledige jaar 1942 f 7695,-. In november 1940 vaardigde de Duitse bezetter een verbod uit op het aanblijven van Joods personeel in overheidsdienst. Per 1 maart 1941 moesten alle Joodse ambtenaren officieel ontslagen zijn. Hoewel de gemeenten dit bevel moesten uitvoeren, bleven zij vaak (voorlopig) verantwoordelijk voor het uitbetalen van pensioenen of wachtgeldregelingen aan de gedupeerden. Dit document biedt een unieke inkijk in de kille, bureaucratische afhandeling van deze discriminerende maatregel door een gemeentelijke financiële afdeling. De genoemde personen zijn zeer waarschijnlijk Joodse slachtoffers van deze zuivering. A. Prins A.R. Drukker D. v. d. Laan.
Samenvatting
Het document is een administratieve berekening van de kosten die de gemeente maakte voor ambtenaren die zij gedwongen moest ontslaan. De koptekst verwijst expliciet naar deze verplichting. Uit de data (ontslag per 1 maart 1941) en de namen blijkt dat dit betrekking heeft op de Duitse verordening 137/1940, die het ontslag van Joodse ambaren in het bezette Nederland beval.
De berekeningen tonen aan dat de ambtenaren na hun ontslag in maart 1941 overgingen op een lagere uitkeringsgrondslag (waarschijnlijk wachtgeld):
* Bij A. Prins daalde de grondslag van f 3719,- naar f 3063,- per jaar.
* Bij A.R. Drukker daalde deze van f 2189,- naar f 1803,- per jaar.
Onderaan worden de totalen berekend voor de gehele post "ontslagen ambtenaren": voor het jaar 1941 bedroegen de kosten f 7144,50 en voor het volledige jaar 1942 f 7695,-.
Historische Context
In november 1940 vaardigde de Duitse bezetter een verbod uit op het aanblijven van Joods personeel in overheidsdienst. Per 1 maart 1941 moesten alle Joodse ambtenaren officieel ontslagen zijn. Hoewel de gemeenten dit bevel moesten uitvoeren, bleven zij vaak (voorlopig) verantwoordelijk voor het uitbetalen van pensioenen of wachtgeldregelingen aan de gedupeerden. Dit document biedt een unieke inkijk in de kille, bureaucratische afhandeling van deze discriminerende maatregel door een gemeentelijke financiële afdeling. De genoemde personen zijn zeer waarschijnlijk Joodse slachtoffers van deze zuivering.