Uittreksel van een officieel besluit (afschrift).
Origineel
Uittreksel van een officieel besluit (afschrift). De Secretaris-Generaal van het Departement van Binnenlandsche Zaken (K.J. Frederiks). No.1082 L.M.1940. AFSCHRIFT.
Uittreksel.
Besluit van den Secretaris-Generaal
van het Departement van Binnenland-
sche Zaken van 31 Jan.1941, B.Z.No.1 B.B.
De Secretaris-Generaal van het Departement van Binnenlandsche Zaken,
Gezien de besluiten van de raden van eenige gemeenten tot het invoe-
ren, wijzigen of afschaffen van plaatselijke belastingen, alsmede de
adviezen daaromtrent door Gedeputeerde Staten der provinciën, die het
aangaat, uitgebracht;
Gelet op de artikelen 269-271 en artikel 290 der gemeentewet, als-
mede op artikel LXVI bis der Wet van 22 April 1937 (Staatsblad No.311);
Besluit, op grond van paragraaf 1 der Verordening No.61/1940 van
den Rijkscommissaris voor het bezette Nederlandsche gebied;
goed te keuren:
1e. dat ten behoeve van de gemeente, in de tot dit besluit behoorende
staten A en B genoemd, worden geheven de daarin voor elke gemeente
aangegeven belastingen, tot het bedrag en naar de grondslagen, in
de hiernevensgevoegde raadsbesluiten uitgedrukt, met de beperking,
voor zooveel betreft de raadsbesluiten inzake de belastingen, ver-
meld in staat B, dat de goedkeuring geldt tot aan den bij elke
gemeente aangegeven datum;
2e. enz.
's-Gravenhage, 31 Januari 1941.
De Secretaris-Generaal van het Departe-
ment van Binnenlandsche Zaken,
get.Frederiks.
Uitgegeven voor woordelijk gelijkluidend uittreksel.
De Secretaris-Generaal van het Departement van
Binnenlandsche Zaken,
get.Frederiks. Het document is een formeel, ambtelijk besluit betreffende de gemeentelijke belastingen in Nederland tijdens de vroege fase van de Duitse bezetting. De kern van de tekst is de goedkeuring door het centrale gezag (het Departement van Binnenlandsche Zaken) van diverse lokale belastingmaatregelen die door gemeenteraden waren voorgesteld.
Opvallend is de juridische onderbouwing: naast de reguliere Gemeentewet en wetgeving uit 1937, wordt expliciet verwezen naar Verordening No. 61/1940 van den Rijkscommissaris voor het bezette Nederlandsche gebied. Dit illustreert hoe de Nederlandse bureaucreatie direct na de inval werd ingepast in de nieuwe machtsstructuur onder leiding van Arthur Seyss-Inquart. Hoewel de uitvoering in handen bleef van Nederlandse ambtenaren, was de uiteindelijke rechtsgrondslag verschoven naar de bezettingsmacht. Karel Johannes Frederiks was ten tijde van dit schrijven de Secretaris-Generaal van Binnenlandse Zaken. Na het vertrek van de Nederlandse regering naar Londen in mei 1940, werden de Secretarissen-Generaal de hoogste Nederlandse gezagsdragers die in het land bleven. Zij moesten samenwerken met de Duitse bezetter om het overheidsapparaat draaiende te houden.
Dit document laat zien dat de reguliere gang van zaken — zoals het vaststellen van lokale belastingen — doorging, maar onder toezicht van de Rijkscommissaris. Frederiks stond bekend om zijn 'beleid van de minste schade', waarbij hij probeerde door samenwerking met de Duitsers de ergste invloeden van de bezetting te beperken, een houding die na de oorlog kritisch werd geëvalueerd. Het document getuigt van de voortzetting van de Nederlandse administratieve orde binnen de kaders van de bezettingswetgeving. B.B.