Gedrukt concept-voorstel (1e CONCEPT) met handgeschreven kanttekeningen en nummers.
Origineel
Gedrukt concept-voorstel (1e CONCEPT) met handgeschreven kanttekeningen en nummers. December 1940. № 17/4/3 M. 1940 20/12 Marktv.
1e CONCEPT. 23074
No, . Wijziging Verordening op de heffing van markt-, standplaats- en ventgelden.
AMSTERDAM, December 1940.
Aan den Gemeenteraad
In de Verordening op de heffing van markt-, standplaats- en ventgelden is in art. 23, 1e lid, o.m. bepaald, dat de belasting voor afslag van visch in de Vischhal 5 % bedraagt van de bruto-opbrengst der afgeslagen visch, met dien verstande, dat, indien de bruto-opbrengst van de door denzelfden aanvoerder aan den afslag gebrachte visch in een kalenderjaar meer dan een bepaald bedrag heeft bedragen, hem een reductie zal worden betaald.
Deze reductie-clausule is, blijkens onze voordracht van 19 November 1932, No. 847 (Gemeenteblad afd. 1, bladz. 2069), in het leven geroepen, om den aanvoer van visch naar de Gemeentevischafslag door Urker visschers, die door de afsluiting der Zuiderzee gedwongen zijn de Noordzee te bevisschen, te bevorderen.
Uit een overzicht van het totaal der gemaakte besommingen ter Vischafslag is ons gebleken, dat de besommingen, welke in de afgeloopen jaren door de Urker visschers konden worden gemaakt van dien aard waren, dat de reductie, uitgekeerd aan deze visschers, slechts gering is. In 1936 werd nl. uit dien hoofde uitgekeerd ƒ 121,58, in 1937 ƒ 144,24, in 1938 ƒ 24,12. Mede ten gevolge van den strengen winter en de oorlogsomstandigheden was de aanvoer in 1939 zoo gering dat in dat jaar in het geheel [bijgevoegd in marge: geheel] geen reductie werd uitbetaald.
Daarentegen nam de aanvoer ter afslag door de handelaren in visch — welke veel zoetwatervisch aanvoeren — in het laatste jaar in belangrijke mate toe. Door dezen gewijzigden toestand zouden de bedragen aan reductiegelden aan die handelaren zelfs belangrijk hooger worden dan die, welke aan de Urker visschers zijn verstrekt.
Zooals uit het voorgaande blijkt, is de reductieregeling in het leven geroepen uitsluitend om den aanvoer door [doorgehaald: der] Urker visschers aan te moedigen en niet voor vorengenoemde handelaren, die deze aanmoediging niet noodig hebben.
Het komt ons derhalve noodzakelijk voor, waar een en ander een zeer ongewenschte verzwaring der lasten van den Gemeentelijken vischafslag tengevolge zou hebben, de genoemde reductie uitsluitend tot de visschers zelf te beperken.
Ten einde zulks te bereiken, achten wij het noodzakelijk de redactie van art. 23, 1e lid der vorengenoemde Verordening te wijzigen.
Mitsdien stellen wij U voor, in overeenstemming met het gevoelen van de Commissie van bijstand in het beheer der zaken betreffende de Levensmiddelenvoorziening en de Wasch- en schoonmaak-, bad- en zweminrichtingen, het volgende besluit te nemen : Het document is een beleidsvoorstel om een specifieke belastingkorting (reductie-clausule) op de visafslag in Amsterdam te herzien. Oorspronkelijk was deze korting in 1932 ingevoerd om de vissers uit Urk te steunen. Door de aanleg van de Afsluitdijk was hun traditionele visgebied (de Zuiderzee) verdwenen en moesten zij de overstap maken naar de Noordzee. Amsterdam wilde deze vissers stimuleren hun vangst in de stad te blijven verhandelen.
Uit de tekst blijkt echter dat de regeling in 1940 onbedoelde gevolgen heeft. Terwijl de Urker vissers door de strenge winter van 1939 en de oorlog weinig vingen (en dus nauwelijks korting kregen), maakten algemene vis-handelaren (voornamelijk in zoetwatervis) juist steeds meer gebruik van de regeling. Dit werd gezien als een ongewenste financiële belasting voor de gemeente. Het voorstel is daarom om de korting expliciet te beperken tot de vissers zelf, en handelaren uit te sluiten. De datering van december 1940 is significant: Nederland bevindt zich dan in de eerste fase van de Duitse bezetting. Hoewel het dagelijks bestuur en de gemeenteraad nog functioneren, zijn de "oorlogsomstandigheden" al duidelijk merkbaar in de economie en de voedselvoorziening.
De tekst refereert aan de sociaal-economische gevolgen van de Zuiderzeewerken voor de Urker gemeenschap, een transformatie die destijds grote impact had. Ook de genoemde commissies, zoals die voor de "Levensmiddelenvoorziening", tonen de bureaucratische structuur van die tijd, waarbij de overheid steeds meer grip probeerde te krijgen op de distributie van schaarse goederen zoals vis. De handgeschreven correcties suggereren dat dit een werkdocument is dat werd klaargemaakt voor definitieve besluitvorming.