Ambtelijke notitie / rapportage betreffende de toewijzing van standplaatsen.
Origineel
Ambtelijke notitie / rapportage betreffende de toewijzing van standplaatsen. 15 januari 1941. Vermoedelijk een ambtenaar van de Marktpolitie of de Gemeentelijke Marktverordening, ondertekend door "P. v. Raak". Vrouwtje Haas-de Hond. |
J. Bulleman | Deze drie venters stonden vroeger ook steeds in de
Mozes Zwaaf. | Camperstraat, maar bij de jongstleden gehouden
| enquêtes waren zij niet aanwezig. Ik heb een
indeling gemaakt van de eventueel uit te reiken
standplaatsen en daar komen zij niet op voor. Ik zou
niet weten waar ik ze plaatsen moest, temeer daar de aange-
vraagde plaatsen of niet in aanmerking komen wegens het te smalle
voetpad of reeds verzegd zijn. Rest nog het Lepelplein, maar dat
zal voor bovengenoemde venters wel niets zijn.
A.dam. 15 Januari 1941.
(getekend) P. v. Raak De notitie betreft de ruimtelijke ordening van straathandel in de Amsterdamse Oosterparkbuurt. De kern van het probleem is dat drie specifieke venters, die historisch gezien in de Camperstraat stonden, buiten de boot dreigen te vallen bij een nieuwe herindeling. Zij waren afwezig tijdens de 'jongstleden gehouden enquêtes', waardoor ze niet in de planning zijn opgenomen. De ambtenaar stelt vast dat er weinig ruimte over is: de gevraagde plekken vallen af vanwege de fysieke beperkingen van de straat (te smal voetpad) of omdat ze reeds aan anderen zijn toegezegd ('verzegd'). Het Lepelplein wordt als alternatief genoemd, maar direct weer afgewezen als ongeschikt voor deze personen. De toon is zakelijk-ambtelijk, waarbij de administratieve logica van de 'indeling' zwaarder weegt dan de historische rechten van de venters. Dit document is geschreven op 15 januari 1941, tijdens de Duitse bezetting. Dit is een beladen moment in de geschiedenis van Amsterdam: het is minder dan een maand voor de razzia's op het Jonas Daniël Meijerplein en de daaropvolgende Februaristaking. De namen (zoals Mozes Zwaaf) en de locaties (nabij de Jodenbuurt) wijzen erop dat dit document betrekking heeft op Joodse Amsterdammers.
In deze periode werden door de bezetter en het meewerkende gemeentebestuur steeds vaker administratieve instrumenten (zoals de genoemde 'enquêtes') gebruikt om de Joodse bevolking en hun economische posities te isoleren. Hoewel de notitie op het oog puur logistiek lijkt, past zij in het grotere patroon van de geleidelijke uitsluiting van Joden uit het openbare economische leven en de marktsector in Amsterdam, die in de loop van 1941 volledig zou worden doorgevoerd. J. Bulleman
Samenvatting
De notitie betreft de ruimtelijke ordening van straathandel in de Amsterdamse Oosterparkbuurt. De kern van het probleem is dat drie specifieke venters, die historisch gezien in de Camperstraat stonden, buiten de boot dreigen te vallen bij een nieuwe herindeling. Zij waren afwezig tijdens de 'jongstleden gehouden enquêtes', waardoor ze niet in de planning zijn opgenomen. De ambtenaar stelt vast dat er weinig ruimte over is: de gevraagde plekken vallen af vanwege de fysieke beperkingen van de straat (te smal voetpad) of omdat ze reeds aan anderen zijn toegezegd ('verzegd'). Het Lepelplein wordt als alternatief genoemd, maar direct weer afgewezen als ongeschikt voor deze personen. De toon is zakelijk-ambtelijk, waarbij de administratieve logica van de 'indeling' zwaarder weegt dan de historische rechten van de venters.
Historische Context
Dit document is geschreven op 15 januari 1941, tijdens de Duitse bezetting. Dit is een beladen moment in de geschiedenis van Amsterdam: het is minder dan een maand voor de razzia's op het Jonas Daniël Meijerplein en de daaropvolgende Februaristaking. De namen (zoals Mozes Zwaaf) en de locaties (nabij de Jodenbuurt) wijzen erop dat dit document betrekking heeft op Joodse Amsterdammers.
In deze periode werden door de bezetter en het meewerkende gemeentebestuur steeds vaker administratieve instrumenten (zoals de genoemde 'enquêtes') gebruikt om de Joodse bevolking en hun economische posities te isoleren. Hoewel de notitie op het oog puur logistiek lijkt, past zij in het grotere patroon van de geleidelijke uitsluiting van Joden uit het openbare economische leven en de marktsector in Amsterdam, die in de loop van 1941 volledig zou worden doorgevoerd.