Archiefdocument
Origineel
7 januari 1941. Amsterdam, 7 Januari 1941
Hiermede verzoekt ondergetekende: Isaac Loonstijn - 6/8 - 1901
wonende Ruyschstraat 90 huis
houder(ster) van ventvergunning serie S. no. 47. in aanmerking te
mogen komen voor een standplaats-vergunning
voor alle werkdagen ~~behalve des Zaterdags en voor den Zondag~~
voor Fruit
van 8 uur tot 8 uur (Zondags tot 10 uur) (overzijde)
op het verhoogde voetpad van de Ruyschstraat,
voorbij de peperbus t.o. perceel Ruyschstraat 105.
voor den verkoop van Fruit
met een handkar
Handteekening van de(n) aanvrager(ster),
I. Loonstijn
Opmerking
Loonstijn verzoekt indien mogelijk inplaats
van Zaterdag op Zondag te mogen staan.
R. Dit document is een formele aanvraag van Isaac Loonstijn voor een vaste verkoopplek (standplaats) voor zijn fruithandel in de Ruyschstraat in Amsterdam. Hij was op dat moment reeds in het bezit van een ventvergunning (nummer 47 uit serie S). De locatie die hij op het oog heeft, wordt zeer specifiek omschreven: op het verhoogde deel van de stoep, voorbij de 'peperbus' (een iconische Amsterdamse reclamezuil), tegenover perceel nummer 105.
Het meest opvallende aan dit document is de handgeschreven opmerking onderaan en de aanpassing van de werktijden. Loonstijn vraagt expliciet om de zaterdag (de joodse sjabbat) te mogen inruilen voor de zondag als werkdag. Dit duidt op een religieuze achtergrond. De Ruyschstraat lag in een deel van Amsterdam met een aanzienlijke Joodse populatie. De datum van de aanvraag, 7 januari 1941, is historisch zeer relevant. Nederland was op dat moment ruim een half jaar bezet door nazi-Duitsland. De anti-Joodse maatregelen werden in deze periode in rap tempo verscherpt. Slechts een maand na deze aanvraag, in februari 1941, braken er in de Joodse buurt (waaronder de omgeving van de Ruyschstraat) onlusten uit die leidden tot de Februaristaking.
Dergelijke administratieve documenten uit het marktwezen geven een indringend beeld van het dagelijks leven tijdens de bezetting. Uit oorlogsarchieven blijkt dat Isaac Loonstijn de Holocaust niet heeft overleefd; hij werd in 1942 gedeporteerd en vermoord in Auschwitz. Deze aanvraag is een tastbaar overblijfsel van zijn poging om in de vroege oorlogsjaren zijn dagelijkse handel voort te zetten. I. Loonstijn Marktwezen
Samenvatting
Dit document is een formele aanvraag van Isaac Loonstijn voor een vaste verkoopplek (standplaats) voor zijn fruithandel in de Ruyschstraat in Amsterdam. Hij was op dat moment reeds in het bezit van een ventvergunning (nummer 47 uit serie S). De locatie die hij op het oog heeft, wordt zeer specifiek omschreven: op het verhoogde deel van de stoep, voorbij de 'peperbus' (een iconische Amsterdamse reclamezuil), tegenover perceel nummer 105.
Het meest opvallende aan dit document is de handgeschreven opmerking onderaan en de aanpassing van de werktijden. Loonstijn vraagt expliciet om de zaterdag (de joodse sjabbat) te mogen inruilen voor de zondag als werkdag. Dit duidt op een religieuze achtergrond. De Ruyschstraat lag in een deel van Amsterdam met een aanzienlijke Joodse populatie.
Historische Context
De datum van de aanvraag, 7 januari 1941, is historisch zeer relevant. Nederland was op dat moment ruim een half jaar bezet door nazi-Duitsland. De anti-Joodse maatregelen werden in deze periode in rap tempo verscherpt. Slechts een maand na deze aanvraag, in februari 1941, braken er in de Joodse buurt (waaronder de omgeving van de Ruyschstraat) onlusten uit die leidden tot de Februaristaking.
Dergelijke administratieve documenten uit het marktwezen geven een indringend beeld van het dagelijks leven tijdens de bezetting. Uit oorlogsarchieven blijkt dat Isaac Loonstijn de Holocaust niet heeft overleefd; hij werd in 1942 gedeporteerd en vermoord in Auschwitz. Deze aanvraag is een tastbaar overblijfsel van zijn poging om in de vroege oorlogsjaren zijn dagelijkse handel voort te zetten.