Aanvraagformulier voor een standplaatsvergunning.
Origineel
Aanvraagformulier voor een standplaatsvergunning. 8 januari 1941. [Linksboven, handgeschreven:]
10
/
[Rechtsboven, getypt en handgeschreven:]
Amsterdam, 8 Januari 1941.
[Hoofdtekst, getypt formulier met handgeschreven aanvullingen:]
Hiermede verzoekt ondergetekende:
I. Cohen 7/3 - 1888
wonende Lepenweg 15 I
houder(ster) van ventvergunning serie 5...no. 66.. in aanmerking te
mogen komen voor een standplaatsvergunning
voor alle werkdagen ~~behalve des Zaterdags~~ en voor den Zondag
voor Aardappelen, Groenten en Fruit
van 8 uur tot 6 uur (Zondags 6 uur)
op het verharde trottoir van de Ruyschstraat
tegenover perceel No. 124 ~~achter de peperbus,~~
voor den verkoop van Aardappelen, Groenten en Fruit
met een handkar
Handteekening van de(n) aanvrager(ster),
I. Cohen.
[Onderaan, handgeschreven notitie:]
I. Cohen vraagt om des Zondags te mogen staan,
inplaats van Zaterdag. [gevolgd door een paraaf] Dit document betreft een verzoek van I. Cohen (waarschijnlijk Isaac Cohen) voor een vaste standplaats met een handkar voor de verkoop van levensmiddelen. De gekozen locatie is de Ruyschstraat in Amsterdam-Oost, een straat die destijds een levendig karakter had en in een buurt lag met veel Joodse bewoners.
Het meest opvallende kenmerk is de expliciete aanvraag om op zondag te mogen werken in plaats van op zaterdag. De aanvrager heeft de standaardclausule "behalve des Zaterdags" laten doorhalen. Dit duidt er vrijwel zeker op dat de heer Cohen een religieuze Jood was die de sjabbat (zaterdag) wenste te vieren en daarom op de christelijke rustdag (zondag) zijn handel wilde drijven om in zijn levensonderhoud te voorzien.
De term "peperbus", die in de tekst is doorgehaald met een groene streep, verwijst naar de iconische ronde Amsterdamse aanplakzuilen of transformatorhuisjes. Het was een lokaal oriëntatiepunt voor de exacte plek op het trottoir. De datum van de aanvraag, 8 januari 1941, markeert een kantelpunt in de geschiedenis van Joods Amsterdam tijdens de Tweede Wereldoorlog. Terwijl de heer Cohen deze aanvraag indiende om zijn dagelijkse nering voort te zetten, voerde de Duitse bezetter de druk op de Joodse bevolking drastisch op.
Slechts twee dagen later, op 10 januari 1941, werd de beruchte Verordening 6/41 van kracht, die de registratie van alle Joodse inwoners van Nederland verplicht stelde. In de maanden die volgden, werden Joodse ondernemers en straatverkopers steeds systematischer uit het economische leven geweerd. Dit document is een tastbaar bewijs van de pogingen van individuele burgers om hun autonomie en religieuze identiteit te behouden binnen een systeem dat hen steeds verder marginaliseerde, kort voordat de grootschalige deportaties vanuit buurten zoals de Transvaalbuurt (waar de Lepenweg ligt) begonnen. I. Cohen