Aanvraagformulier voor een standplaatsvergunning (gemeentelijk archiefstuk).
Origineel
Aanvraagformulier voor een standplaatsvergunning (gemeentelijk archiefstuk). [In groen potlood linksboven:] 21
Amsterdam, 27 Januari 1941
Hiermede verzoekt ondergeteekende:
Vrouwtje de Hond, echtgenoote van W. Fraat, 18/9 - 1906
wonende ~~3~~ 2e Oosterparkstraat ~~52 hs~~ 103 I
houder(ster) van ventvergunning serie 13 no 32 in aanmerking te
mogen komen voor een standplaatsvergunning
voor alle werkdagen ~~behalve des Zaterdags~~ en voor den Zondag
voor den verkoop van fruit
van 8 uur tot 8 uur, Zaterdags en Zondags 10 uur.
op het verhoogde middengedeelte
van het Iepenplein tegenover perceel no 14.
voor den verkoop van fruit
met een handkar
Handteekening van de(n) aanvrager(ster),
[Handgeschreven aantekeningen onderaan:]
Bemerking
Heeft ventry over 40/41 niet betaald.
3.
Wenscht geen Standplaats op het Iepenplein
A’dam 29. JAN. 1941 [stempel]
V. de Hond. Het document toont de administratieve afhandeling van een vergunningsaanvraag voor straathandel. Vrouwtje de Hond, die reeds een algemene ventvergunning bezat, wilde een vaste plek op het Iepenplein in Amsterdam-Oost. Opvallend is dat zij de tekst "behalve des Zaterdags" heeft doorgestreept, wat betekent dat zij ook op de sabbat wilde werken. Dit kan duiden op een seculiere levensstijl of pure economische noodzaak.
De ambtelijke aantekeningen onderaan zijn cruciaal. De term "ventry" (mogelijk een afkorting voor ventrecht of ventgeld) wijst op een betalingsachterstand voor de jaren 1940 en 1941. De meest intrigerende opmerking is echter de mededeling van 29 januari dat zij de standplaats op het Iepenplein toch niet wenst. Dit kan betekenen dat de aanvraag door haarzelf werd ingetrokken, of dat de ambtenaar noteerde dat de aanvraag niet gehonoreerd kon worden vanwege de toenemende restricties voor Joodse Amsterdammers. De datum, januari 1941, markeert een kantelpunt in de Tweede Wereldoorlog in Nederland. De Duitse bezetter voerde de druk op de Joodse bevolking op; op 10 januari 1941 werd de registratieplicht voor alle Joodse burgers ingevoerd (Verordening 6/41). De achternaam "De Hond" is een typisch Sefardisch-Joodse naam in Amsterdam.
In deze periode werden Joodse marktkooplieden en straatventers steeds vaker geweerd van hun reguliere plekken. Kort na deze aanvraag, in februari 1941, vonden de razzia's op het Jonas Daniël Meijerplein plaats en brak de Februaristaking uit. Later in 1941 werden Joodse kooplieden gedwongen zich te beperken tot specifiek aangewezen "Joodsche markten". De intrekking van de aanvraag voor het Iepenplein past in dit beeld van toenemende segregatie en onveiligheid. Uit historische bronnen blijkt dat de hier genoemde Vrouwtje de Hond de Holocaust niet heeft overleefd; zij werd in september 1942 in Auschwitz vermoord.