Notulen/verslag van een vergadering (pagina 3).
Origineel
Notulen/verslag van een vergadering (pagina 3). Ongedateerd, maar de tekst refereert aan een aanvraag uit 1931, wat suggereert dat dit document uit de vroege jaren '30 stamt. -3-
De Voorzitter noemt de in de 50ste en de 51ste vergadering behandelde aan-vragen van Meijer en Bakker, evenals de aanvrage van Polak, behandeld in de 71ste vergadering, die ook aan dezen eisch niet voldeden, daar zij in steun waren, waarop de Commissie toch gunstig heeft geadviseerd.
De heer Presser blijft nochtans bij zijn afwijzende meening.
De heer Van 't Hek adviseert gunstig op deze aanvrage, daar D'Ancona in 1931 nog heeft gevent en tijdig een ventvergunning heeft aangevraagd.
De heer Gaaikema is van oordeel, dat dit geval overeenkomt met analoge ge-vallen, waarin gunstig werd geadviseerd; hij heeft dus geen bezwaar aan het verzoek van D'Ancona te voldoen.
De Commissie besluit derhalve op het verzoek gunstig te adviseeren; alleen de heer Presser is daar tegen.
Vervolgens stelt de Voorzitter aan de orde: punt 3 der agenda:
Voortzetting bespreking maatregelen tegen overlast van venters in de Camperstraat en omgeving.
De Voorzitter deelt mede, dat, overeenkomstig de in de vorige vergadering gemaakte afspraak, inzake de uitgifte van vaste standplaatsen in deze buurt, overleg is gepleegd met de Politie. Bij dit overleg is gebleken, dat zoowel van de zijde van de Politie als van de directie van het Onze Lieve Vrouwe-Gasthuis over-wegende bezwaren bestaan, tegen de door de leden Neeter en Presser voorgestelde wijze van uitgifte van vaste standplaat-sen, respectievelijk in de Camperstraat op het trottoir langs den tuin van het ziekenhuis en in de Camperstraat op het trot-toir tegenover den tuin van het ziekenhuis voor de daar ge-vestigde winkels. Het trottoir langs den tuin van het zieken-huis is slechts 3 meter breed, het kan voor het voetgangers-verkeer niet worden gemist, zoodat daarop onmogelijk stand-plaatsen kunnen worden uitgegeven. Bovendien bevindt zich aan deze zijde van het ziekenhuis een zaal voor vrouwelijke t.b.c.-patienten, terwijl in den tuin een barak voor mannelijke t.b.c.-patienten is. Deze menschen zijn uiterst gevoelig voor lawaai. Nu kan men zeggen, dat dit in hoofdzaak wordt veroorzaakt door de losse venters, maar en dit is geconstateerd, ook de clande-stiene standplaatshouders schreeuwen wel. Voorts wordt voor verontreiniging van den tuin gevreesd als daarbij kooplieden komen te staan. Het trottoir voor de winkels is 2.70 meter breed, dus zonder meer ongeschikt om daar vaste standplaatsen te verleenen. Wegens verkeersbezwaren, die juist de invoering van dit ventverbod noodig maken, kan ook niet worden overwogen, om vaste standplaatsen uit te geven op den rijweg langs het trottoir aan den winkelkant, waar nu sommige venters plegen te gaan staan. Een betere oplossing zou zijn vaste standplaatsen te verleenen op den rijweg langs de trottoirs van den Iepenweg. Dit document vormt een verslag van een ambtelijke of bestuurlijke commissievergadering waarin twee hoofdzaken worden besproken:
1. Individuele vergunningverlening: Er is een discussie over de ventvergunning van een zekere D'Ancona. Interessant is de juridische precedentwerking; er wordt verwezen naar eerdere gevallen (Meijer, Bakker, Polak) waarbij gunstig is geadviseerd ondanks dat zij "in steun" (een vorm van bijstand) liepen. De heer Presser neemt hier een principieel afwijzend standpunt in, terwijl de meerderheid kiest voor coulance op basis van eerdere vergunningverlening in 1931.
2. Ruimtelijke ordening en overlast: Het tweede deel van het document is een gedetailleerde weergave van de problematiek rondom de Camperstraat. Hier botsen de belangen van de straathandel (de venters) met die van de openbare orde (politie), de verkeersveiligheid (smalle trottoirs) en de volksgezondheid (het ziekenhuis).
De argumentatie van de voorzitter is gebaseerd op objectieve metingen (trottoirs van 3m en 2,70m breed) en de specifieke noden van patiënten in het Onze Lieve Vrouwe-Gasthuis. Er wordt expliciet melding gemaakt van "clandestiene standplaatshouders" en het probleem van "schreeuwen", wat duidt op een levendige maar ook chaotische straathandel in die periode. De tekst plaatst ons in het Amsterdam van de jaren '30, een tijd waarin straathandel een cruciale bron van inkomsten was voor de arme bevolking (zoals blijkt uit de referentie naar mensen die "in steun" waren), maar ook leidde tot toenemende regulering door de overheid.
De vermelding van t.b.c.-patiënten (tuberculose) in het Onze Lieve Vrouwe-Gasthuis (OLVG) is historisch significant. Tuberculose was in die tijd een volksziekte die met rust en frisse lucht behandeld moest worden. De "gevoeligheid voor lawaai" van deze patiënten was dus niet slechts een kwestie van comfort, maar een medische noodzaak. De voorgestelde oplossing om de venters te verplaatsen naar de Iepenweg (een zijstraat van de Camperstraat) toont de vroege pogingen tot zonering van straathandel in de stad om overlast voor zorginstellingen te beperken.