Handgeschreven verzoekschrift.
Origineel
Handgeschreven verzoekschrift. 29 september 1941 (genoteerd als "29/9 '41"). Mej. M. Piller, wonende aan de Tugelaweg 33 I, Amsterdam. № 25/122/1 M. 1941 1/10
A'dam 29/9 '41
Weled: Heer. ni: Insp.
Ondergetekende verzoekt
u beleefd in aanmerking
te mogen komen, voor een
standplaats, (op de
markt in de Alb: Cuypstr)
De artikelen die ik wil
verkoopen zijn handschoenen
Dames mode artikelen enz.
Hopende een gunstig
antwoord van u te
mogen ontvangen
verblijf ik beleefd
dankend
Mej. M. Piller.
Tugelaweg 33 I
A'dam. Het document is een formeel verzoekschrift van Mejuffrouw M. Piller om een standplaats te bemachtigen op de Albert Cuypmarkt in Amsterdam. De schrijfster hanteert een uiterst beleefde en correcte briefstijl, zoals destijds gebruikelijk bij correspondentie met officiële instanties. Zij specificeert haar handelswaar: handschoenen en diverse damesmodeartikelen.
Bovenaan het document is een administratief kenmerk toegevoegd, wat erop wijst dat de brief is opgenomen in een officieel archiefsysteem. Rechtsboven, naast de aanhef, staat de afkorting "ni: Insp.", wat vermoedelijk staat voor "naar Inspecteur", een aanwijzing voor de interne route van het document binnen de gemeentelijke administratie. De datum van de brief, september 1941, plaatst dit document in een beladen historische context tijdens de Duitse bezetting van Nederland. De afzender, Mej. Piller, woonde aan de Tugelaweg in de Transvaalbuurt (Amsterdam-Oost). Dit was een buurt met een zeer grote Joodse populatie.
In 1941 werden de anti-Joodse maatregelen van de bezetter steeds stringenter. Joodse marktkooplieden werden in deze periode stelselmatig geweerd van de reguliere markten. Vanaf de zomer van 1941 werden er in Amsterdam specifieke 'Jodenmarkten' ingesteld (zoals op het Waterlooplein en het Gaaspstraatje), terwijl de toegang tot algemene markten zoals de Albert Cuypmarkt voor Joden werd verboden. Gezien de achternaam Piller en de woonlocatie is het zeer waarschijnlijk dat dit verzoekschrift een Joodse inwoonster betreft die probeert in haar levensonderhoud te voorzien te midden van deze uitsluitingsmaatregelen. De brief weerspiegelt de bureaucratische werkelijkheid waarin burgers, ondanks de oorlogsomstandigheden, via de officiële weg probeerden hun recht op handel uit te oefenen. M. Piller