Getypte brief (doorslag of kopie), bladzijde 4 van een groter dossier.
Origineel
Getypte brief (doorslag of kopie), bladzijde 4 van een groter dossier. 1 april 1941. Directeur van het Marktwezen (waarschijnlijk Amsterdam). Bladzijde No. 4 van Brief No. 37/15/8 M. d.d. 1 April 1941 aan den
Heer Wethouder voor de Levensmiddelen van den Directeur van het
Marktwezen.
Een scheiding, zooals ik hierboven in het kort aan-
gaf, zou practisch beteekenen een verbod voor Joden om bij niet-
Joden te koopen en omgekeerd. De Joodsche detaillisten zouden
zich dan niet meer van goederen kunnen voorzien bij de voor
100% arische tuinders van versche groenten en de speciale tuin-
dersartikelen; ze zouden niet meer kunnen koopen bij de veiling,
welke geheel of vrijwel geheel van producten voorzien wordt door
niet-Joodsche inzenders (producenten in verschillende deelen van
het land) en ze zouden niet meer kunnen koopen op de bloemen-
markt achter het entreegebouw, waar alle verkoopers niet-Joden
zijn. Een en ander zou zeer ten nadeele zijn van de tuinders
zoowel als van de veiling.
Ik neem aan, dat het vooralsnog niet in de bedoeling
kan liggen het koopen van Joden bij niet-Joden onmogelijk te
maken; indien zulks op de Centrale Markt zou moeten worden toe-
gepast, zou dit mijns inziens moeten zijn als uitvloeisel van
een algemeen verbod van handelsverkeer tusschen Joden en niet-
Joden.
Verder kunnen naar mijn meening maatregelen en al-
gemeen geldende voorschriften, welke alsnog door de Rijksover-
heid ten aanzien van de ariseering van bedrijven zouden kunnen
worden uitgevaardigd, wijziging in de situatie ten deze brengen.
Ik wijs er hierbij op, dat op de Centrale Markt N.V.'s en fir-
ma's met gedeeltelijk Joodsch kapitaal werkzaam zijn, namelijk
de N.V. Nederlandsche Veiling en de aardappelfirma Bosboom & Van
den Burg, terwijl in de hal gevestigd is de N.V. Meyer Mok, welke
als "Feindvermoegenbetrieb" wordt bestuurd door een door den
Rijkscommissaris benoemden "Verwalter" Otto Wachter. De heer
Wachter verzoekt mij reeds om bij de scheiding tusschen het
Joodsche en niet-Joodsche element op de Centrale Markt rekening
te houden met het feit, dat het bedrijf van de N.V. Meyer Mok
reeds aan het toezicht van den Rijkscommissaris is onderworpen.
Rekening houdende met hetgeen hierboven is uiteengezet acht ik
het echter mogelijk een scheiding te maken tusschen Joodsche en
niet-Joodsche grossiers, waarbij vitale belangen van de markt
weinig of niet worden aangetast.
Ik denk mij de betreffende regeling als volgt:
ad A. De grossiers in groenten en fruit.
Successievelijk zullen de Joodsche en niet-Joodsche
grossiers anders worden gegroepeerd, hetzij door ruiling van
pakhuis bij afloop van huurcontracten, hetzij door tusschen-
tijdsche ruilingen.
Uiteindelijk is dan bereikt, dat de Joodsche groot-
handelaren bij elkaar zijn geplaatst, zonder dat een verbod voor
detaillisten wordt ingevoerd om bij de eene of andere categorie
te koopen.
Ik stel mij voor, twee punten op de Centrale Markt
aan te wijzen waar de Joodsche grossiers zich geleidelijk moeten
vestigen, namelijk: een gedeelte van de hal voor de Joodsche
grossiers, die thans een pakhuis in de hal in huur hebben of een
plaats in die hal bezetten en het pakhuis op pier B in het Ooste- Dit document is een ambtelijk verslag over de praktische uitvoering van de vroege anti-Joodse maatregelen in Nederland tijdens de Duitse bezetting.
- Kernproblematiek: De directeur van het Marktwezen onderzoekt hoe de door de bezetter gewenste scheiding tussen Joden en "Ariërs" op de Centrale Markt (waarschijnlijk die van Amsterdam) gerealiseerd kan worden zonder de economische keten (de veiling en de tuinders) direct te schaden.
- Economisch pragmatisme vs. ideologie: De schrijver waarschuwt dat een totaal handelsverbod nadelig is voor de (niet-Joodse) tuinders en de veiling. Hij stelt daarom een vorm van ruimtelijke segregatie (apartheid) voor: Joodse handelaren moeten fysiek bij elkaar geplaatst worden in specifieke hallen of op specifieke pieren, terwijl de handel tussen de groepen vooralsnog ("zonder dat een verbod... wordt ingevoerd") wordt toegestaan.
- Arisering: De brief noemt expliciet de "ariseering" van bedrijven. Bedrijven als N.V. Meyer Mok zijn al onder beheer gesteld van een Duitse Verwalter (Otto Wachter) omdat ze als "Feindvermoegen" (vijandelijk vermogen) worden beschouwd.
- Terminologie: Het gebruik van termen als "100% arische tuinders", "Joodsche element" en "Feindvermoegenbetrieb" illustreert hoe snel het nationaalsocialistische jargon werd overgenomen in de Nederlandse bureaucratie. De brief dateert van april 1941, slechts enkele maanden na de grote razzia's in Amsterdam en de daaropvolgende Februaristaking. In deze periode schoof de bezetter de uitvoering van de isolatie van de Joodse bevolking steeds vaker door naar de lokale overheden.
De Centrale Markt (tegenwoordig het Food Center Amsterdam aan de Jan van Galenstraat) was de spil van de voedselvoorziening. Door Joodse grossiers te isoleren en hun bedrijven te "ariseren" (onteigenen en overdragen aan niet-Joden of onder Duits toezicht stellen), werd de Joodse gemeenschap stap voor stap uit het economische leven verdrongen. Dit document vormt een schakel in de bureaucratische voorbereiding van de uitsluiting die uiteindelijk zou leiden tot de totale onteigening en deportatie van de Joodse handelsstand.