Getypt ambtelijk schrijven/rapport (pagina 5 van een groter geheel).
Origineel
Getypt ambtelijk schrijven/rapport (pagina 5 van een groter geheel). 1 april 1941. Bladz. 5
37/15/8
Amsterdam, 1 April x 41
den Heer Wethouder voor de Levensmiddelen,
lijk havencomplex voor de Joodsche grossiers, die buiten de hal een pakhuis in huur hebben of een plaats bezetten.
De hal.
Ik zou het Zuid-Westelijk gedeelte van de hal willen bestemmen voor het vestigen van de Joodsche grossiers. In de hal zijn thans de volgende Joodsche grossiers in pakhuizen gevestigd: Aan de Westzijde (even nummers) in de no.'s 6, 8, 10 en 12 en aan de Oostzijde (oneven nummers) in de no.'s 19 en 23.
In de no.'s 2 en 4 zijn gevestigd 2 niet-Joodsche grossiers; bij het eindigen van de betreffende huurcontracten, zou ik willen bevorderen, dat de 2 Joodsche grossiers, die thans aan de Oostzijde zijn gevestigd, ruilen met de 2 niet-Joodsche grossiers, die thans in de no.'s 2 en 4 aan de Westzijde zijn gevestigd. Voor wat de pakhuizen betreft, is dan bereikt, dat de eerste 6 pakhuizen aan de Westzijde van de hal door Joden zullen zijn bezet; aansluitend zijn dan vooralsnog in de nummers 14 tot en met 28 niet-Joodsche grossiers gevestigd. Indien zich hiertoe de mogelijkheid voordoet, zal ik trachten, deze grossiers eveneens over te plaatsen naar de Oostzijde der hal; de openkomende pakhuizen zouden dan ook voor Joodsche grossiers uit of van buiten de hal kunnen worden bestemd, zoodat dan de geheele Westzijde der hal door Joden zal zijn bezet. Bij de ruiling van Joodsche en niet-Joodsche grossiers moet voor wat den financieelen kant betreft een oplossing worden gevonden; de huurprijzen van de pakhuizen aan de Oostzijde der hal zijn namelijk vastgesteld op f 1.400,- per jaar; die aan de Westzijde zijn gesteld op f 1.000,-. Dit verschil in huurprijs is destijds ontstaan, doordat de Westzijde der hal zeer slecht met grossiers was bezet; teneinde hierin verbetering te brengen zijn de pakhuizen aan de Westzijde goedkooper beschikbaar gesteld. De destijds hiervoor geldende motieven gelden thans niet meer of niet meer in die mate; ik acht het dan ook mogelijk voor alle pakhuizen in de hal eenzelfden huurprijs te bepalen. Hieromtrent zal ik U te zijner tijd nadere voorstellen doen toekomen.
Voor wat de plaatsen in de hal betreft, deel ik U mede, dat 19 plaatsen op het verhoogde middengedeelte aan de Oostzijde zijn uitgegeven aan Joodsche grossiers; deze zou ik willen trachten te verplaatsen naar het verhoogde middengedeelte aan de Westzijde der hal; zij zullen dan grootendeels staan tegenover de pakhuizen, die door Joden zijn ingenomen. De overzetting van de plaatsen kan op elk gewenscht moment worden overwogen en stuit naar mijn meening niet op juridische bezwaren (in verband met het feit, dat veelal kalenderjaarplaatsen zijn uitgegeven), daar artikel 15 van het Reglement op de Centrale Markt mij de bevoegdheid geeft, de onderlinge opstelling van plaatshouders te wijzigen.
Pier B.
Het pakhuis op pier B bevat relatief het grootste aantal onverhuurde afdeelingen, namelijk 4 van de 15; ik acht derhalve dit complex het meest geschikt voor het concentreeren der Joodsche grossiers. De afdeelingen 12, 13, 14 en 15 zijn onverhuurd; in dit pakhuiscomplex zijn voorts reeds 4 Joodsche grossiers gevestigd, namelijk in de afdeelingen 3, 5, 6 en 7. Ik Dit document is een ambtelijk voorstel tot ruimtelijke segregatie op de werkvloer tijdens de Duitse bezetting. De kern van het schrijven is het fysiek isoleren van Joodse ondernemers ("Joodsche grossiers") op de Centrale Markt in Amsterdam.
De schrijver stelt de volgende concrete maatregelen voor:
1. Gedwongen ruil: Niet-Joodse ondernemers moeten hun plek aan de Westzijde afstaan aan Joodse ondernemers die nu nog aan de Oostzijde zitten.
2. Harmonisatie van huurprijzen: Om de verplaatsing financieel mogelijk te maken (en wellicht om Joodse ondernemers een financieel voordeel te ontnemen), wordt voorgesteld de lagere huur aan de Westzijde gelijk te trekken met de hogere huur aan de Oostzijde.
3. Concentratie op Pier B: Vanwege de leegstand wordt Pier B aangewezen als de ideale locatie om Joodse handelaren te concentreren.
4. Juridische inkadering: De auteur beroept zich op Artikel 15 van het Marktreglement om aan te tonen dat hij de bevoegdheid heeft om standplaatsen eenzijdig te wijzigen, wat duidt op een proces waarin discriminatie wordt gegoten in de vorm van bestaande administratieve regels. Dit document dateert van 1 april 1941, slechts enkele weken na de Februaristaking. In deze fase van de bezetting werd de uitsluiting van Joden uit het openbare en economische leven in Nederland in hoog tempo geïntensiveerd.
De Centrale Markt (tegenwoordig het Food Center Amsterdam) was de spil van de voedselvoorziening in de stad. Door Joodse handelaren in een specifiek gedeelte van de markt (de "Westzijde" en "Pier B") samen te brengen, werd een soort 'economisch ghetto' gecreëerd. Dit vergemakkelijkte niet alleen het toezicht en de latere onteigening van deze bedrijven door de bezetter (onder het proces van 'Arisering'), maar zorgde er ook voor dat het dagelijkse contact tussen Joodse en niet-Joodse Amsterdammers op de werkvloer tot een minimum werd beperkt. Het document illustreert de actieve rol van het lokale (markt)bestuur bij het uitvoeren van anti-Joodse maatregelen.