Archief 745
Inventaris 745-354
Pagina 17
Dossier 2A
Jaar 1941
Stadsarchief

Getypt rapport/ambtelijk schrijven (doorslag).

1 april 1941.

Origineel

Getypt rapport/ambtelijk schrijven (doorslag). 1 april 1941. Bladz. 7 1 April x 41
37/15/8 den Heer Wethouder voor de
Amsterdam. Levensmiddelen,

kers, dat varieert van 50 tot 250 personen.

Een scheiding van de uren, waarop Joden en niet-Joden de veiling mogen bezoeken, dus een afwisselende veiling voor Joden en niet-Joden acht ik strijdig met het karakter van de veiling, welke een zoo groot mogelijk aantal koopers tegelijk aan bod moet hebben. Geschiedt dit niet, dan zou dit een nadeel beteekenen voor de inzenders der veiling, die dan wellicht zullen ophouden met zenden. Bovendien zou een en ander moeilijkheden met zich brengen in verband met een juiste splitsing van de aangevoerde hoeveelheden groenten, fruit en bloemen, mede in verband met kwaliteit en sorteering e.d.

Een scheiding naar plaatsen bijvoorbeeld door het rechter gedeelte van de banken te bestemmen voor niet-Joden en het linker gedeelte voor de Joden zou het contact tusschen beide groepen niet voorkomen. Ik ben dan ook van meening, dat de voor de veiling te treffen regeling gebaseerd moet worden op een algemeene regeling, welke voor alle veilingen en openbare verkoopingen e.d., van welke goederen dan ook, waar Joodsche en niet-Joodsche koopers tegelijk aan bod kunnen komen, door de Rijksoverheid eventueel zou moeten worden getroffen.

ad E. De grossiers in bloemen.
In den drukken tijd (voorjaar en zomer) voeren 15 à 20 grossiers uit het land bloemen aan op deze markt. De grossiers zijn allen niet-Joden; de koopers daarentegen in hoofdzaak Joden. Een scheiding is hier derhalve, mede gelet op hetgeen ik hierboven uiteenzette, niet door te voeren en moet dus vooralsnog achterwege blijven.

Tot het marktcomplex behooren enkele objecten, waarvan tot nu toe door iedereen gebruik kan worden gemaakt.
I. Café-restaurant, Ingangsgebouw, ingang buiten de Centrale Markt en toegankelijk ook voor anderen dan de marktbezoekers.
Sigarenkiosk, idem.
2 cantines hal Noord- en Zuidzijde.
2 consumptie-wagens in de hal.
3 consumptie-kiosken buiten de hal op de markt.

Wanneer algemeen geldende voorschriften voor dergelijke inrichtingen zouden worden uitgevaardigd, dan zouden de onderhavige inrichtingen daar automatisch onder vallen. Het lijkt mij daarom niet gewenscht reeds thans voor het onderhavige café een verbod voor Joden uit te vaardigen. Er worden thans vrij veel zaken besproken in het café tusschen Joodsche en niet-Joodsche grossiers der markt. Indien het den Joden wordt verboden, het café te betreden, zal men zich begeven naar de café’s en schaftlokalen, welke op enkele honderden meters van de Centrale Markt zijn gelegen en welke thans reeds een deel der marktbezoekers trekken. Het beoogde doel, de scheiding, wordt dan toch niet bereikt en een en ander zal aanleiding geven tot schade in de exploitatie van het café en dus van de Gemeente. Dit document is een treffend voorbeeld van de ambtelijke worsteling met de door de Duitse bezetter opgelegde (of verwachte) anti-Joodse maatregelen in de vroege fase van de Tweede Wereldoorlog.

De auteur van het stuk hanteert een strikt pragmatische en economische argumentatie om de invoering van segregatie op de markt tegen te gaan:
1. Marktefficiëntie: Een veiling werkt alleen als alle kopers tegelijk aanwezig zijn. Splitsing in uren zou de prijsvorming en de aanvoer schaden.
2. Onuitvoerbaarheid: Bij de bloemenhandel zijn de kopers hoofdzakelijk Joods. Zonder hen stort de handel in.
3. Economisch eigenbelang: Het verbieden van toegang tot het café voor Joden zou leiden tot omzetverlies voor de gemeente (de exploitant), omdat de handel zich dan simpelweg zou verplaatsen naar nabijgelegen particuliere horeca.

Opvallend is dat de schrijver de verantwoordelijkheid voor eventuele algemene maatregelen probeert af te schuiven op de "Rijksoverheid", waarschijnlijk om lokale onrust of praktische chaos te voorkomen. Er wordt niet zozeer uit moreel protest gesproken, maar vanuit een noodzaak om de economische infrastructuur van Amsterdam draaiende te houden. Op de datum van dit schrijven (1 april 1941) was de Duitse bezetting bijna een jaar oud. De Februaristaking (februari 1941) had kort daarvoor plaatsgevonden als reactie op de eerste grootschalige razzia's. In deze periode nam de druk toe om Joden uit het openbare leven en de economie te weren.

De Centrale Markthallen in Amsterdam (tegenwoordig het Food Center aan de Jan van Galenstraat) vormden de spil van de voedselvoorziening. Joodse handelaren speelden vanouds een cruciale rol in de handel in groenten, fruit en bloemen. Dit document laat zien hoe lokale autoriteiten probeerden de "normale" bedrijfsvoering te beschermen tegen de ontwrichtende werking van de nationaalsocialistische rassenwetten, vaak met financiële argumenten als belangrijkste wapen.

Samenvatting

Dit document is een treffend voorbeeld van de ambtelijke worsteling met de door de Duitse bezetter opgelegde (of verwachte) anti-Joodse maatregelen in de vroege fase van de Tweede Wereldoorlog.

De auteur van het stuk hanteert een strikt pragmatische en economische argumentatie om de invoering van segregatie op de markt tegen te gaan:
1. Marktefficiëntie: Een veiling werkt alleen als alle kopers tegelijk aanwezig zijn. Splitsing in uren zou de prijsvorming en de aanvoer schaden.
2. Onuitvoerbaarheid: Bij de bloemenhandel zijn de kopers hoofdzakelijk Joods. Zonder hen stort de handel in.
3. Economisch eigenbelang: Het verbieden van toegang tot het café voor Joden zou leiden tot omzetverlies voor de gemeente (de exploitant), omdat de handel zich dan simpelweg zou verplaatsen naar nabijgelegen particuliere horeca.

Opvallend is dat de schrijver de verantwoordelijkheid voor eventuele algemene maatregelen probeert af te schuiven op de "Rijksoverheid", waarschijnlijk om lokale onrust of praktische chaos te voorkomen. Er wordt niet zozeer uit moreel protest gesproken, maar vanuit een noodzaak om de economische infrastructuur van Amsterdam draaiende te houden.

Historische Context

Op de datum van dit schrijven (1 april 1941) was de Duitse bezetting bijna een jaar oud. De Februaristaking (februari 1941) had kort daarvoor plaatsgevonden als reactie op de eerste grootschalige razzia's. In deze periode nam de druk toe om Joden uit het openbare leven en de economie te weren.

De Centrale Markthallen in Amsterdam (tegenwoordig het Food Center aan de Jan van Galenstraat) vormden de spil van de voedselvoorziening. Joodse handelaren speelden vanouds een cruciale rol in de handel in groenten, fruit en bloemen. Dit document laat zien hoe lokale autoriteiten probeerden de "normale" bedrijfsvoering te beschermen tegen de ontwrichtende werking van de nationaalsocialistische rassenwetten, vaak met financiële argumenten als belangrijkste wapen.

Kooplieden in dit dossier 100

A. Cosman Waterlooplein "
A. Cosman Waterlooplein "
A. Poortje Uilenburg
A. Poortje Uilenburg
A. Poortje Uilenburg
A.v. Velzen Uilenburg "
A.v. Velzen Uilenburg "
B.A.Bouw
Barend Barend Uilenburg
Barend Barend Uilenburg
B. Barend Uilenburg
B. Kroese Uilenburg
B. Kroese Uilenburg
B. Kroese Uilenburg
B. Meents Uilenburg
B. Meents Uilenburg
B. Moffie Waterlooplein "
B. Moffie Waterlooplein "
B. Nebig Uilenburg
B. Nebig Uilenburg
B. Nebig Uilenburg
P. Langendijkstr Uilenburg 7
B. van Thijn Waterlooplein "
B. van Thijn Waterlooplein "
B. van Thijn Waterlooplein "
B. Wittenburg Uilenburg
C.Pas
Alle 100 kooplieden →

Gerelateerde Documenten 6