Getypte brief (doorslag of kopie).
Origineel
Getypte brief (doorslag of kopie). 17 maart 1941. De Directeur (vermoedelijk van de Centrale Markt of een overkoepelende gemeentelijke dienst). Den Heer Wethouder voor de Levensmiddelen, Amsterdam (afgeleid uit de context van "Centrale Markt"). [Handgeschreven, blauw potlood:] Extra
[Rechtsboven:] D/HG.
den Heer Wethouder
voor de Levensmiddelen,
A l h i e r .
37/15/6 M. 1 17 Maart 1941.
Ingevolge Uw opdracht heb ik de eer U in bijlage dezes een kort schema te doen toekomen voor het U bekende plan tot scheiding van het Joodsche- en niet-Joodsche element op de Centrale Markt.
De Directeur, Dit document is een ambtelijke mededeling uit de vroege fase van de Duitse bezetting van Nederland. De toon is strikt formeel en bureaucratisch. De essentie van de brief is de uitvoering van een opdracht van de wethouder om een "schema" (plan) op te stellen voor de segregatie van Joden op de Centrale Markt in Amsterdam.
Het taalgebruik is zakelijk ("heb ik de eer U... te doen toekomen"), wat in schril contrast staat met de discriminerende aard van de inhoud. De term "Joodsche element" wordt gebruikt om mensen te objectiveren tot een te managen onderdeel van de marktlogistiek. Het document bewijst de actieve rol van de lokale Amsterdamse bureaucratie bij het voorbereiden en implementeren van anti-Joodse maatregelen, nog voordat de grootschalige deportaties begonnen. De datum, 17 maart 1941, is zeer relevant. Dit is slechts enkele weken na de Februaristaking (25-26 februari 1941), die was uitgebroken als protest tegen de eerste Jodenvervolgingen in Amsterdam. In plaats van een versoepeling, leidde de staking tot een verharding van de Duitse repressie en een versnelling van de isolatie van de Joodse bevolking door de (al dan niet gedwongen) medewerking van het gemeentebestuur.
De Centrale Markthallen aan de Jan van Galenstraat waren het logistieke hart van de voedselvoorziening in Amsterdam. De hier genoemde "scheiding" hield in dat Joodse handelaren werden afgezonderd van hun niet-Joodse collega's, vaak door hen naar specifieke delen van de markt te verbannen of hun handelstijden te beperken. Dit was een directe stap naar de volledige uitsluiting van Joden uit het economische leven ("Arisering") en de uiteindelijke beroving van hun bestaansmiddelen. De brief laat zien hoe de "Wethouder voor de Levensmiddelen" (destijds een positie onder toezicht van de pro-Duitse burgemeester Voute) direct betrokken was bij deze segregatiepolitiek.
Samenvatting
Dit document is een ambtelijke mededeling uit de vroege fase van de Duitse bezetting van Nederland. De toon is strikt formeel en bureaucratisch. De essentie van de brief is de uitvoering van een opdracht van de wethouder om een "schema" (plan) op te stellen voor de segregatie van Joden op de Centrale Markt in Amsterdam.
Het taalgebruik is zakelijk ("heb ik de eer U... te doen toekomen"), wat in schril contrast staat met de discriminerende aard van de inhoud. De term "Joodsche element" wordt gebruikt om mensen te objectiveren tot een te managen onderdeel van de marktlogistiek. Het document bewijst de actieve rol van de lokale Amsterdamse bureaucratie bij het voorbereiden en implementeren van anti-Joodse maatregelen, nog voordat de grootschalige deportaties begonnen.
Historische Context
De datum, 17 maart 1941, is zeer relevant. Dit is slechts enkele weken na de Februaristaking (25-26 februari 1941), die was uitgebroken als protest tegen de eerste Jodenvervolgingen in Amsterdam. In plaats van een versoepeling, leidde de staking tot een verharding van de Duitse repressie en een versnelling van de isolatie van de Joodse bevolking door de (al dan niet gedwongen) medewerking van het gemeentebestuur.
De Centrale Markthallen aan de Jan van Galenstraat waren het logistieke hart van de voedselvoorziening in Amsterdam. De hier genoemde "scheiding" hield in dat Joodse handelaren werden afgezonderd van hun niet-Joodse collega's, vaak door hen naar specifieke delen van de markt te verbannen of hun handelstijden te beperken. Dit was een directe stap naar de volledige uitsluiting van Joden uit het economische leven ("Arisering") en de uiteindelijke beroving van hun bestaansmiddelen. De brief laat zien hoe de "Wethouder voor de Levensmiddelen" (destijds een positie onder toezicht van de pro-Duitse burgemeester Voute) direct betrokken was bij deze segregatiepolitiek.