Getypte brief / ambtelijk rapport.
Origineel
Getypte brief / ambtelijk rapport. 27 maart 1941. Onbekend (vermoedelijk een ambtenaar of beheerder binnen het Marktwezen). Den Heer Directeur van het Marktwezen te Amsterdam. Amsterdam, 27 Maart 1941.
Aan den Heer Directeur van
het Marktwezen te Amsterdam.
Ingevolge Uw opdracht een schema te maken, waarbij de Joodsche gros-
siers gescheiden komen van de Christen grossiers, waarbij U bepaalde, dat de
Joodsche grossiers, die in de Hal gevestigd zijn, in de Hal moeten blijven en
de Joodsche grossiers, die buiten de Hal zijn gevestigd in pier B moeten worden
tezamen gebracht, doe ik U hierbij het volgende plan toekomen.
In de Hal zijn 6 Joodsche grossiers in pakhuizen gevestigd en wel:
Hes in Hal 6
Loggem " " 8
Roodenburg " " 10
Moffie " " 12
Meyer Mok " " 19
Ossedrijver " " 23
Het eenvoudigste is dus de grossiers Meyer Mok en Ossedrijver over te
brengen naar de pakhuizen Hal 2 en 4, waarin zijn gevestigd de Christen gros-
siers Eykel en Terpunt.
Dan zijn de Joodsche grossiers bijeengekomen in de pakhuizen 2, 4, 6,
8, 10 en 12 aan de Westzijde Hal.
Precies tegenover deze pakhuizen zijn 13 open plaatsen, die momenteel
bezet zijn door 8 Christen grossiers, te weten: J.v.Vliet, Jac.v.Vliet, Jac.
Smit, P.de Vries, Wiggemanssen, Van Zeuemeren, Ootjers, en Van Zaane en 3
Joodsche grossiers, van Cleef, Deegen en Witteboon. De genoemde 8 Christen
grossiers zouden dan naar open plaatsen aan de Oostzijde der Hal kunnen worden
overgebracht en 10 Joodsche grossiers met open plaatsen van de Oostzijde naar
de Westzijde. Er staan echter 19 Joodsche grossiers aan de Oostzijde, zoodat
daar nog 9 moeten blijven staan, tenzij men voor de pakhuizen aande Westzijde,
die door Christen grossiers bewoond zijn ook Joodsche grossiers zou willen
zetten; daar wonen de grossiers Van Oostrum, Van Bladeren en C.de Jong.
Wanneer dit wordt uitgevoerd staan alle Joodsche grossiers in de Hal
bij elkaar.
De overzetting van de open plaatsen stuit juridisch m.i. niet op moei-
lijkheden, daar Marktwezen een plaats heeft toegewezen maar vrij is welke
plaats. De bezwaren van een verhuizing blijven natuurlijk bestaan, die voor de
Christen grossiers grooter is, dan voor de Joodsche grossiers, omdat de Chris-
ten grossiers overwegend in groente handelen en nu volop in de handel zitten
en de Joodsche grossiers in fruit doen, waarin momenteel niets te doen is.
Moeilijker wordt het m.i. voor de huurders van pakhuizen; dat kan
haast niet anders dan door een vrijwillige schikking.
Pier B is het complex met de meeste leegstaande pakhuizen namelijk
4, de nummers: 12, 13, 14 en 15.
In B 11 heeft de fa. Van Bladeren een filiaal gevestigd, welks contract
bij afloop ik wel wil annuleeren. Dan zijn op B, 5 pakhuizen vrij.
(In de linkermarge staan handgeschreven aantekeningen die deels onleesbaar zijn, waaronder het getal "1400" en woorden die lijken op "loon over pakh" en "mover".) Dit document is een kil, administratief verslag van de uitvoering van antisemitisch beleid tijdens de Duitse bezetting van Nederland. De kern van het document is de fysieke isolatie van Joodse ondernemers op de Amsterdamse Centrale Markthal.
Enkele opvallende punten uit de analyse:
* Systematiek: De tekst toont hoe de Jodenvervolging werd vertaald naar concrete logistieke "schema's". Het is een voorbeeld van de bureaucratische medewerking van Nederlandse instanties (het Marktwezen) aan de maatregelen van de bezetter.
* Segregatie: Er wordt een strikt onderscheid gemaakt tussen "Joodsche" en "Christen" grossiers. Het doel is om Joden in één specifiek deel van de hal (de Westzijde) en op Pier B te concentreren, een vorm van economische gettoïsering.
* Cynisme: De schrijver merkt op dat de gedwongen verhuizing voor de Christen grossiers "grooter" bezwaar oplevert omdat zij in het groenteseizoen zitten, terwijl er voor de Joodse fruithandelaren "momenteel niets te doen is". Dit suggereert dat de planning mede bepaald wordt door economische efficiëntie voor niet-Joodse handelaren, ten koste van de Joodse ondernemers.
* Dwang onder het mom van recht: De schrijver erkent dat het opzeggen van pakhuishuur lastig is, maar suggereert een "vrijwillige schikking", wat in de context van 1941 meestal een eufemisme was voor zware druk of dwang. De brief is gedateerd op 27 maart 1941, slechts een maand na de Februaristaking. Als reactie op dit protest tegen de Jodenvervolging voerden de nazi's het tempo van de anti-Joodse maatregelen op. Een belangrijk onderdeel hiervan was de "Entjudung" (het verwijderen van Joden uit het economische leven) en het isoleren van de Joodse bevolking.
De Centrale Markthal in Amsterdam-West was het kloppend hart van de voedselvoorziening. Door Joodse handelaren hier te isoleren, werden zij afgesneden van hun normale netwerken en klantenkring. Veel van de in dit document genoemde personen en bedrijven zouden later hun zaak verliezen via een 'Verwalter' (bewindvoerder) of werden gedeporteerd. Namen als Meyer Mok en Ossedrijver zijn bekende namen uit de Joodse geschiedenis van Amsterdam; velen van hen hebben de Holocaust niet overleefd. Dit document vormt daarmee een schakel in de keten van gebeurtenissen die leidde van uitsluiting naar vernietiging.