Pagina uit een ambtelijke brief of intern memorandum (pagina 2).
Origineel
Pagina uit een ambtelijke brief of intern memorandum (pagina 2). -2-
Op pier B zijn reeds gevestigd 4 Joodsche grossiers, te weten: Hakker, B 3,
Wijnschenk B 5, Italiaander B 6 en Walg B 7. Wanneer op B daarbij komen Piller
en Wijnschenk van A en Schelvis van C en twee Joodsche grossiers van D en E
dan zijn reeds 9 Joodsche grossiers op B gevestigd en blijven er nog 9 zitten
op E.
De eerste pakhuizen op B zouden dan bewoond moeten worden door Christen
grossiers en daaraan aansluitend de Joodsche grossiers.
M.i. zúllen in de naaste toekomst wel enkele Joodsche fruitgrossiers door
gebrek aan handel verdwijnen, zoodat de overige Joodsche grossiers in de naaste
toekomst wel op B kunnen worden ondergebracht.
Nadrukkelijk zou ik U willen waarschuwen om de pakhuizen op B aan meer
dan 1 grossier te verhuren, daar hebben we al zooveel narigheid mee gehad,
zoodat samenhuur zooveel mogelijk moet worden tegengegaan.
Wanneer U dit aan de Joodsche grossiers zou toestaan, dan kan U dit aan
de Christen grossiers m.i. niet weigeren. En daar de ~~moeilijkheden~~ mogelijkheid
groot is, dat slechte tijden op komst zijn, zal de aandrang tot samenhuur
groot worden.
Misschien is het ook mogelijk de Fa. Van Oostrum, Van Bladeren en C. de
Jong en Keizer met tegemoetkoming in de huur en kosten vrijwillig te laten
verhuizen naar de Oostzijde Hal, dan zouden in die vrijgekomen pakhuizen
Joodsche grossiers zich kunnen vestigen.
Dan was de Westzijde Hal en pier B voor de Joodsche grossiers en waren
daar allen gevestigd.
De Bedrijfschef,
w.g. Jac. Broerse. Dit document beschrijft de logistieke planning voor de concentratie en scheiding van Joodse handelaren op een groothandelsmarkt. De bedrijfschef, Jac. Broerse, stelt voor om de Westzijde Hal en Pier B exclusief aan te wijzen voor "Joodsche grossiers", terwijl "Christen grossiers" (niet-Joodse handelaren) naar de Oostzijde Hal verplaatst zouden moeten worden.
De toon is zakelijk en administratief, maar de inhoud getuigt van de doorvoering van discriminerende maatregelen. Er wordt gesproken over het "verdwijnen" van Joodse fruitgrossiers door "gebrek aan handel", wat een eufemisme is voor de economische uitsluiting en onteigening van Joodse ondernemers tijdens de bezetting. Tevens wordt het beleid van "één grossier per pakhuis" geadviseerd om conflicten te vermijden en de controle te vergemakkelijken. Dit document moet worden gezien in het licht van de anti-Joodse maatregelen tijdens de Duitse bezetting van Nederland (1940-1945). Vanaf begin 1941 werden Joodse marktkooplieden en grossiers in Amsterdam stelselmatig geïsoleerd en gesegregeerd. De Centrale Markthallen aan de Jan van Galenstraat waren een cruciaal punt voor de voedselvoorziening, en de bezetter streefde naar een "judenreine" handel of, in de overgangsfase, een strikte fysieke scheiding tussen Joodse en niet-Joodse handelaren.
De namen genoemd in het document (zoals Hakker, Italiaander en Walg) verwijzen naar bekende Joodse families in de Amsterdamse fruithandel. Jac. Broerse was in die periode bedrijfschef van de Marktmonopolie. Dit document vormt een direct bewijs van hoe de lokale marktadministratie meewerkte aan de uitvoering van de segregatiepolitiek van de bezetter.