Officiële ambtelijke aanschrijving (circulaire).
Origineel
Officiële ambtelijke aanschrijving (circulaire). 3 november 1941. MARKTWEZEN AMSTERDAM
Amsterdam, 3 November 1941.
Aan den Heer
Mevrouw
AMSTERDAM ( ).
Ten vervolge op mijn aanschrijving van 28 October jl. deel ik U mede, dat buiten de in deze aanschrijving genoemde artikelen ook huishoudelijke verbruiksartikelen tot de bedoelde, in de 3 speeltuinen aangewezen hulpmarkten, zijn toegelaten.
In verband hiermede roep ik U op, uiterlijk 5 November a.s. te mijnen kantore, Jan van Galenstraat 14, te komen, teneinde een aanvraagformulier voor één dezer hulpmarkten in te vullen.
Vaste plaatshouders, die aan deze oproeping niet voldoen, zullen voor deze markten niet meer, met handhaving van hun ancienniteit, in aanmerking kunnen komen.
De Directeur
C. J. Simons De brief is een zakelijke, dwingende mededeling aan marktkooplieden in Amsterdam tijdens de Duitse bezetting. De kernboodschap is dat het assortiment voor specifieke 'hulpmarkten' is uitgebreid met huishoudelijke artikelen. Opvallend is de korte reactietermijn (slechts twee dagen) en de sanctie die wordt opgelegd: wie zich niet tijdig meldt bij het kantoor aan de Jan van Galenstraat (de Centrale Markthallen), verliest zijn voorrangsrechten op basis van anciënniteit voor deze specifieke locaties. De ambtelijke toon maskeert de ingrijpende reorganisatie van de stadshandel die op dat moment plaatsvond. Dit document moet geplaatst worden in de context van de Jodenvervolging in Amsterdam. In de loop van 1941 voerde de Duitse bezetter een stringente segregatiepolitiek door. Vanaf september 1941 werden Joden verbannen van de reguliere markten. Ter vervanging werden zogenaamde 'Jodenmarkten' ingesteld, die in dit document eufemistisch "hulpmarkten in speeltuinen" worden genoemd.
Er werden drie van dergelijke markten ingericht op omheinde plekken die makkelijk te controleren waren: in de speeltuin aan de Gaaspstraat (Rivierenbuurt), op het Waterlooplein en in de speeltuin aan de Joubertstraat (Transvaalbuurt). Joodse marktkooplieden mochten alleen nog daar hun waren verkopen, uitsluitend aan een Joods publiek. De aanschrijving van 28 oktober, waar dit document naar verwijst, betrof de initiële inrichting van deze markten; deze brief van 3 november breidt de toegestane handel uit om de geïsoleerde Joodse bevolking van noodzakelijke huishoudelijke spullen te kunnen voorzien.