Dienstbrief (officiële correspondentie).
Origineel
Dienstbrief (officiële correspondentie). 8 oktober 1941. De Stadsingenieur, namens de Voorzitter van de Kleine Benzinecommissie. DIENST DER PUBLIEKE WERKEN
AMSTERDAM
RAADHUIS, KAMER 198
S.I. 5356 / 111 F
AMSTERDAM, 8 October 1941
Bureau Stadsingenieur.
No 37/19/34 M. 1941 10/10
Aan den Heer Directeur van het
Marktwezen,
Jan van Galenstraat 14,
Amsterdam.
[Handgeschreven notitie in paars potlood: m.i. th Brouwer]
Bij mij zijn aanvragen voor ombouw van hun
auto op samengeperst lichtgas binnengekomen
van P. Bart, Noorder Akerweg 261 en
P. v.d. Voort, Noorderakerweg 199.
Gaarne zal ik omgaand van U hieromtrent ad-
vies ontvangen. Beide aanvragen werden in-
gezonden door den Heer Dinkgreve.
P
De Stadsingenieur,
p Voorzitter Kleine Benzinecommissie
[Handtekening] Deze brief is een formeel verzoek om advies binnen de ambtelijke hiërarchie van de gemeente Amsterdam tijdens de Tweede Wereldoorlog. De kern van de zaak is de schaarste aan brandstof (benzine).
Twee personen, P. Bart en P. v.d. Voort, beiden wonend aan de Noorder Akerweg, willen hun voertuigen laten ombouwen om op "samengeperst lichtgas" te kunnen rijden. Lichtgas (stadsgas) was een alternatief voor benzine, die door de Duitse bezetter streng gerantsoeneerd was.
De "Kleine Benzinecommissie" hield toezicht op het brandstofverbruik en de toewijzing van alternatieve brandstoffen. Dat het advies wordt gevraagd aan de Directeur van het Marktwezen (gevestigd bij de Centrale Markthallen aan de Jan van Galenstraat), wijst erop dat de aanvragers waarschijnlijk marktkooplieden of transporteurs voor de voedselvoorziening waren. Hun werk werd als essentieel beschouwd, wat een dergelijke ombouw zou kunnen rechtvaardigen. De datum, oktober 1941, plaatst dit document midden in de Duitse bezetting van Nederland. Al snel na de inval in mei 1940 ontstonden er grote tekorten aan grondstoffen, waaronder olie en benzine.
Voor civiel gebruik was benzine vrijwel niet meer beschikbaar. Autobezitters die voor hun beroep afhankelijk waren van transport (zoals de voedseldistributie via het Marktwezen) moesten creatieve oplossingen zoeken. Dit leidde tot de opkomst van alternatieve aandrijvingen:
1. Houtgasgeneratoren: Grote ketels achterop of naast de auto waarin hout werd vergast.
2. Lichtgas: Gas dat normaal voor koken en straatverlichting werd gebruikt. Dit werd ofwel in enorme zakken op het dak van de auto meegeroerd (onder lage druk) of in zware stalen cilinders (samengeperst), zoals in deze brief beschreven.
De bureaucratie hieromheen was strikt; men had toestemming nodig van commissies om dergelijke aanpassingen te mogen doen en om aanspraak te maken op de schaarse gasvoorraden. Het feit dat de aanvragen werden ingediend via een tussenpersoon (den Heer Dinkgreve) suggereert een vorm van belangenbehartiging of technische bemiddeling. P. Bart P. v.d. Voort Gemeente Amsterdam Marktwezen Publieke Werken