Archiefdocument
Origineel
16 september 1941. Edward Voûte, Burgemeester van Amsterdam. Generalkommissariat für Finanz und Wirtschaft, t.a.v. Dr. Protzmann, Plein 23, Den Haag. No. 832 L.M.1941. [Stempel:] Nº 37/97/1 M.1941 26/9
[Handgeschreven aantekeningen en parafen]
An das Generalkommissariat
fur Finanz und Wirtschaft,
z.H. des Herrn Dr.Protzmann,
Plein 23,
D e n H a a g.
Amsterdam, den 16. September 1941.
Wie mir berichtet wird, empfingen einige jüdische Einwohner
der hiesigen Gemeinde die Mitteilung von Ihnen, dass Sie ihre Ge-
schäfte bis zum 20. September d.J. zu liquidieren haben. Darunter
befinden sich jüdische Geschäftsleute in ausgesprochen jüdischen
Gegenden, die also jüdische Kundschaft bedienen.
Um die in dieser Hinsicht an mich gerichteten Fragen beant-
worten zu kunnen, wäre ich gern über die Zielsetzung der Ihrerseits
getroffenen Massnahmen orentiert und bitte daher um Ihre gefl.
Ruckausserung.
Der Bürgermeister der Stadt Amsterdam,
w.g. Voûte. In dit document wendt de door de bezetter aangestelde burgemeester van Amsterdam, Edward Voûte, zich tot het Duitse bestuur in Den Haag. De kern van de brief is een beleefd maar feitelijk verzoek om opheldering over de "doelstelling" van de gedwongen liquidatie van Joodse bedrijven.
De tekst valt op door de volgende elementen:
* Bureaucratische houding: Voûte protesteert niet tegen de maatregel zelf, maar stelt dat hij informatie nodig heeft om vragen die aan hem gesteld worden te kunnen beantwoorden. Hij positioneert zichzelf als een tussenpersoon in de ambtelijke hiërarchie.
* Focus op Joodse wijken: Voûte merkt specifiek op dat de maatregel ook winkels treft in "uitgesproken Joodse buurten" die een Joodse clientèle bedienen. Dit impliceert een zorg over de praktische uitvoerbaarheid of de mogelijke verstoring van de dagelijkse voorzieningen voor de Joodse bevolking in de stad, wat tot onrust zou kunnen leiden.
* Taalgebruik: De brief bevat enkele typefouten of afwijkingen in het Duits (zoals "fur" zonder umlaut, "orentiert" in plaats van "orientiert" en "Ruckausserung" zonder umlaut), wat vaker voorkwam bij in Nederland opgestelde Duitse correspondentie. De brief is geschreven in september 1941, een kritieke fase in de economische uitsluiting van Joden in Nederland. Sinds de vroege bezetting werden Joodse ondernemers systematisch uit het economisch leven verdrongen via diverse verordeningen (zoals VO 48/1941). Dit proces, de zogenaamde "arisering", hield in dat Joodse bedrijven ofwel werden geliquideerd, ofwel werden overgedragen aan niet-Joodse eigenaren.
Het Generalkommissariat für Finanz und Wirtschaft, geleid door Hans Fischböck, was de drijvende kracht achter deze onteigening. Dr. Protzmann, aan wie de brief is gericht, was een belangrijke ambtenaar binnen dit apparaat die zich bezighield met de uitvoering van deze liquidaties.
Edward Voûte was burgemeester van Amsterdam van 1941 tot 1945. Zijn beleid wordt vaak gekarakteriseerd als "administratieve collaboratie"; hij probeerde het stadsbestuur gaande te houden en werkte mee aan Duitse verordeningen, terwijl hij tegelijkertijd probeerde binnen die kaders enige controle over de lokale situatie te behouden. De korte deadline in de brief (liquidatie voor 20 september, terwijl de brief op de 16e geschreven is) toont de meedogenloze snelheid waarmee de bezetter de Joodse bevolking van haar middelen van bestaan beroofde.