Officiële brief/correspondentie van de Gemeente Amsterdam.
Origineel
Officiële brief/correspondentie van de Gemeente Amsterdam. 10 december 1941. De Burgemeester van Amsterdam (E.J. Voûte) en de Gemeentesecretaris (J.F. Franken). Den heer Mr. J.O. Baron, Advocaat en Procureur te Beverwijk. [Linksboven in stempel/typschrift:]
Nº 37/119/4 M. 1941 11/12 Marktwez.
[Links:]
L.M.
1064 -1941-
[Rechtsboven:]
10 December 1941.
[Handgeschreven aantekeningen in de rechterbovenhoek, deels onleesbaar:]
mi. Dir
[Handtekening/Paraaf, mogelijk:] v. Doornik
[Body tekst:]
In antwoord op Uw verzoek d.d. 14 November j.l. betreffende Uwe cliënte der firma Gebr.Duyn, deel ik U mede dat ik, zoolang de Duitsche autoriteiten hierover niet hebben beslist, niet kan toestaan, dat aan de N.V.Hakker wordt vergund op de Centrale Markt een positie in te nemen, die afwijkt van de voor Joodsche handelaren aldaar getroffen regelingen.
vM
De Burgemeester van Amsterdam,
(get.) Voûte
de Gemeentesecretaris,
(get.) J. F. FRANKEN
[Onderaan:]
den heer Mr.J.O.Baron,
Advocaat en Procureur,
B_E_V_E_R_W_I_J_K Dit document is een ambtelijke afwijzing van een verzoek dat was ingediend door een advocaat (Mr. Baron) namens zijn cliënt, de firma Gebr. Duyn. De kern van de brief is de weigering om N.V. Hakker een uitzonderingspositie te verlenen op de Centrale Markt in Amsterdam.
De burgemeester stelt expliciet dat hij geen toestemming geeft voor een positie die afwijkt van de "voor Joodsche handelaren aldaar getroffen regelingen". Hij verschuilt zich hierbij achter de hiërarchie van de bezetter door te stellen dat hij niets kan doen "zoolang de Duitsche autoriteiten hierover niet hebben beslist". De initialen 'vM' linksonder de tekst verwijzen waarschijnlijk naar de opsteller van de brief (een ambtenaar). De brief dateert van december 1941, een periode waarin de anti-Joodse maatregelen in het bezette Nederland in snel tempo werden geïmplementeerd en aangescherpt. De Centrale Markt in Amsterdam was een cruciaal economisch punt waar Joodse handelaren steeds verder werden geïsoleerd en uiteindelijk uitgesloten.
Edward John Voûte, de ondertekenaar, was de door de Duitsers benoemde regeringscommissaris/burgemeester van Amsterdam. Hij stond bekend om zijn collaborerende houding en het nauwgezet uitvoeren van Duitse verordeningen. De brief illustreert de bureaucratische medewerking van het Amsterdamse stadsbestuur aan de uitsluiting van Joden uit het economische leven (de 'Arisering'). Het feit dat een advocaat nog trachtte via juridische weg uitzonderingen te verkrijgen, laat zien dat er in die fase van de oorlog nog werd gepoogd binnen de resterende kaders van de rechtsorde te opereren, wat door dit schrijven resoluut werd afgekapt.