Getypt verslag (doorslag), pagina 4 van notulen.
Origineel
Getypt verslag (doorslag), pagina 4 van notulen. 4.
veilingen een retributie voor administratie heffen, waarvan veel
geld overblijft, dat voor ander doel kan worden besteed, dus ook
voor onderzoek. Dit geschiedt ook, en wel voor proeftuinen in de
omgeving, waarvan het belang spreekt tot de bevolking. Voor lan-
delijk belang geeft men wel moeilijker, sommigen zouden bezwaar
maken, de anderen daarom een verplichte heffing voor onderzoek
prefereeren. Dit is mogelijk op basis van de Landbouw-Crisiswet.
Een precedent is de opgelegde heffing voor bloembollenonderzoek,
ook de opgelegde retributie voor de Keuringsdiensten, waarom de
groothandel gevraagd had (Van der Laan) en de uitvoerheffing op
rubber voor onderzoek in Indië (De Mooij).
Dorst acht zeer nodig, dat men de tuinbouwers overtuigt, dat het
eventueel voor T.N.O. opgebrachte geld ook te hunnen behoeve wordt
besteed.
Kruyt antwoordt, dat T.N.O. hier slechts de vorm is, waarin het
nuttige werk tot stand komt. Het belang van koelhuiswerk moeten
de tuinders kunnen inzien. In de commissie moeten alleen deskun-
digen worden opgenomen.
Van Eekelen acht nodig, dat de graan- en aardappelbouwers mee
contribueeren, Hiele noemt de koelhuisbezitters. Voor beiden is
een verplichte retributie bij de tegenwoordige ordening (veehou-
derij-centrale) uitvoerbaar.
Kruyt wijst in dit verband op de plannen der Commissie-Wolterson,
zegt toe, spoedig te overwegen welke stappen gedaan kunnen worden.
6. Rondvraag en sluiting.
Dorst vraagt om de rondgezonden stukken.
Van de Plassche zal de door van der Helm gemaakte notulen ver-
schaffen.
De Mooij verzoekt onkosten bij zijn secretariaat te declareeren,
voor zoover men ze niet voor rekening van zijn instituut kan nemen.
Sluiting.
Typ. vR.
Coll. L/P. Dit document vormt een belangrijke primaire bron over de vroege organisatie en financiering van toegepast wetenschappelijk onderzoek in de Nederlandse agrarische sector. De kernvraag is hoe de kosten voor onderzoek (uitgevoerd onder de vlag van het toen jonge T.N.O., opgericht in 1932) verdeeld kunnen worden.
Er wordt gezocht naar een juridische en maatschappelijke basis voor verplichte bijdragen. Hierbij wordt gerefereerd aan de Landbouw-Crisiswet, die de overheid vergaande bevoegdheden gaf om de sector te ordenen tijdens de economische depressie. Opvallend is de vergelijking met koloniale praktijken, zoals de uitvoerheffing op rubber in Nederlands-Indië, wat aantoont dat men keek naar diverse bewezen modellen voor onderzoeksfinanciering.
De discussie over "koelhuiswerk" en "proeftuinen" benadrukt het belang van praktische innovatie voor de tuinbouw. De genoemde personen, zoals Kruyt en Dorst, waren kopstukken die aan de wieg stonden van de institutionalisering van de wetenschap in dienst van de economie. De context is de periode van de Grote Depressie en de aanloop naar de Tweede Wereldoorlog. De Nederlandse landbouw leed onder lage wereldmarktprijzen, wat leidde tot de instelling van diverse "centrales" (zoals de genoemde Veehouderij-centrale) om de productie en prijzen te reguleren.
Tegelijkertijd groeide het besef dat wetenschappelijke innovatie noodzakelijk was om de concurrentiepositie te behouden. De Commissie-Wolterson (onder voorzitterschap van J.L. Wolterson) was ingesteld om de organisatie van het industrieel en natuurwetenschappelijk onderzoek te stroomlijnen. Dit document legt het precieze moment vast waarop bestuurders en wetenschappers de overstap probeerden te maken van incidentele, lokale financiering naar een landelijk dekkend systeem van heffingen voor sectoraal onderzoek. Dorst (Prof. J.C. Dorst) Kruyt (Prof. H.R. Kruyt) Van der Laan De Mooij Van Eekelen Hiele Van de Plassche (A.W. van de Plassche) Van der Helm.