Getypte ambtelijke brief/nota (doorslag of origineel).
Origineel
Getypte ambtelijke brief/nota (doorslag of origineel). 27 december (het jaartal wordt niet expliciet op deze pagina genoemd, maar de tekst verwijst naar 1934 als een jaar in het verleden; waarschijnlijk eind jaren '30). 2 27 December 9.
21/33/4 den Heer Wethouder voor de
Amsterdam. Levensmiddelen,
ning op de heffing van marktgelden (Gemeenteblad 1929, afdee-
ling 3 volgno. 32), geen marktgeld werd geheven als de vaar-
tuigen binnen 5 dagen in een pakhuis waren gelost. Deze vrij-
stelling is in 1934 opzettelijk afgeschaft, omdat toen niet
meer wegens den aanvoer ter markt, doch wegens het enkele
feit, dat plaats in het als markt aangewezen gemeentewater
werd ingenomen, marktgeld verschuldigd werd. De "A.B.A."
wenscht thans terug te keeren tot het bewust afgeschafte prin-
cipe, dat een zekere tijd (vroeger namelijk 5 dagen) wordt
gelaten voor overslagvaartuigen. Zij voert daarbij geheel
willekeurig, een onderscheiding in tusschen vaartuigen, die
dienen om er auto's of karren mee te beladen (dus blijkbaar
schuiten, die als magazijn dienst doen) en vaartuigen, die
uitsluitend dienen voor "overslag". Dit berust op geen enkel
principe der Verordening, in tegendeel deze kent slechts het
innemen van ligplaats. Alleen een dergelijke grondslag leent
zich voor behoorlijke contrôle: immers "overslag" vindt op
tal van schuiten plaats. Als "magazijn" dienstdoende vaar-
tuigen zijn in eerste instantie dikwijls "overslag"-vaartui-
gen; bij aanvaarding van het door de "A.B.A." gewenschte
principe zou het van haar goeden wil kunnen afhangen, of zij
een vaartuig al dan niet als "magazijn" betitelen wil en dus
al dan niet marktgeld verschuldigd wordt.
Hierbij komt nog, dat inwilliging van het verzoek
der "A.B.A." ongetwijfeld ernstige consequenties zou hebben
ten aanzien van andere vaartuigen, dienende voor "overslag"
van brandstoffen in of uit aan brandstoffenmarkten gelegen
vaartuigen of pakhuizen; deze consequenties zouden een zeer
belangrijke vermindering van inkomsten aan marktgeld veroor-
zaken.
Bij besprekingen, die in de afgeloopen maanden
met de "A.B.A." zijn gevoerd, heeft zij - evenals op pagina
2 van het onderhavige stuk - beweerd, dat ik zou hebben toege-
zegd, "dat wanneer de dekschuiten zuiver gebruikt worden voor
overslaghandelingen en dus na belading het water aan de Kost-
verlorenvaart weer verlaten, geen marktgeld zal verschuldigd
zijn, opdat niet zoowel precario- als havengeld als tenslotte
ook nog marktgeld, alles voor de zelfde schuiten zou verschul- * Onderwerp: Een juridisch-administratief geschil over de interpretatie van de marktverordening met betrekking tot het heffen van liggelden (marktgelden) voor schuiten in Amsterdamse wateren.
* Kernconflict: De organisatie "A.B.A." (waarschijnlijk de Amsterdamsche Brandstoffen-Associatie) pleit voor een herinvoering van een oude vrijstellingsregel (van vóór 1934) waarbij vaartuigen die binnen 5 dagen lossen geen marktgeld hoeven te betalen. De ambtenaar die dit stuk schrijft, verzet zich hiertegen.
* Argumentatie tegen het verzoek:
1. Rechtsgrondslag: Sinds 1934 is het loutere feit van het innemen van een ligplaats in 'marktwater' voldoende voor de heffing, ongeacht het doel van de schuit.
2. Handhaafbaarheid: Het maken van onderscheid tussen 'overslag' en 'magazijn' is in de praktijk onmogelijk te controleren en zou leiden tot willekeur.
3. Financiële impact: Inwilliging zou leiden tot een aanzienlijke daling van de gemeentelijke inkomsten, ook bij andere markten (zoals de brandstoffenmarkt).
4. Betwiste toezegging: De A.B.A. claimt dat er een toezegging is gedaan om driedubbele belasting (precario, havengeld én marktgeld) te voorkomen, wat de schrijver op deze pagina lijkt te nuanceren of voor te bereiden op een weerlegging. Dit document biedt inzicht in de Amsterdamse gemeentepolitiek en waterbeheer in het interbellum (waarschijnlijk eind jaren '30). Het illustreert de spanning tussen het gemeentelijke streven naar belastingopbrengsten en de wens van het bedrijfsleven om de stapeling van lasten (precario, havengeld, marktgeld) te beperken. De specifieke vermelding van de Kostverlorenvaart duidt op de economische relevantie van deze vaarweg voor de overslag van goederen naar de stad. De genoemde datum 1934 markeert een kantelpunt in de regelgeving waarbij de heffingsgrondslag verschoof van 'handelsactiviteit' naar 'ruimtegebruik'.