Politierapport (handgeschreven).
Origineel
Politierapport (handgeschreven). 10 juli 1941. Rapport.
De klacht van Trimel is mij bekend.
Zelf heeft hij niets gezien of geconstateerd.
Trimel heeft familie id Vegastraat op
het Tuindorp "Oostzaan" wonen.
Deze familie zou volgens verklaring van
Trimel Vrijdag-avonds geregeld zien, dat
bloemenventers tot bij tien uur op het
Tuindorp venten.
Trimel komt dan des Zaterdags in een
afgewerkte buurt.
De venters zouden zijn: 1) Sj. Blom sinds
kort overgeschreven van Centrum op Noord.
Deze oude bekende heb ik aangetroffen voor
vijf uur op Oostzaan. Blom beklaagde nooit zoo
laat langs de weg te zijn met handel. Ten
overvloede heb ik hem gewaarschuwd en tevens
aangezegd dat ook de politie er speciaal op zou
letten.
2) De Gebr. Wijngaarden wiens vader een bloemen-
zaak op Tuindorp "Oostzaan" heeft.
Deze menschen zitten al jaren id bloemenhandel,
maar kunnen reeds geen p.v. krijgen. De vader
heeft er wel een, maar is ziekelijk en moeilijk
in staat te venten.
De zoon's hebben al heel wat bekeuringen
van mij gehad. Treffen de laatste tijd voor vijf uur
niet aan.
Woensdag heb ik U deze klacht doorgegeven,
waarop U het bureau "Adelaarsweg" heeft opgebeld.
Persoonlijk heb ik de klacht besproken met de
betrokken agenten, welke hun medewerking
hebben toegezegd.
Aan den Heer Amsterdam,
Inspecteur. 10 Juli 1941.
[Handtekening/Paraaf] Het document is een ambtelijk rapport waarin een inspecteur verslag doet van een onderzoek naar aanleiding van een klacht van een zekere heer Trimel. De kern van de klacht is oneerlijke concurrentie: bloemenventers zouden op vrijdagavond tot laat (10:00 uur) in Tuindorp Oostzaan venten, waardoor Trimel op zaterdag in een "afgewerkte buurt" (een verzadigde markt) terechtkomt.
De inspecteur identificeert twee partijen:
1. Sj. Blom: Een bekende van de politie die onlangs van het centrum naar Amsterdam-Noord is verhuisd. Hij ontkent de overtreding, maar krijgt een officiële waarschuwing.
2. De Gebroeders Wijngaarden: Zonen van een lokale bloemenwinkelier. Zij staan bekend als veelplegers wat betreft bekeuringen, maar de inspecteur merkt op dat zij de laatste tijd vóór vijf uur 's middags niet meer worden aangetroffen (wat suggereert dat ze mogelijk later op de avond actief zijn wanneer er minder toezicht is).
Het rapport eindigt met de mededeling dat er contact is geweest met Politiebureau Adelaarsweg en dat de lokale agenten extra alert zullen zijn. Dit rapport is geschreven op 10 juli 1941, ruim een jaar na het begin van de Duitse bezetting van Nederland in de Tweede Wereldoorlog. Hoewel het document een alledaags politieel geschil over markttijden en ventvergunningen behandelt, weerspiegelt het de strikte regulering van de handel in die periode.
De genoemde locaties, zoals de Vegastraat en het Tuindorp Oostzaan, waren destijds relatief nieuwe arbeiderswijken in Amsterdam-Noord. Het Bureau Adelaarsweg was het centrale politiepost-punt voor dit stadsdeel. Het taalgebruik is formeel-ambtelijk ("id" voor "in de", "p.v." voor "proces-verbaal") en illustreert de manier waarop de lokale politie trachtte de orde in de wijken te handhaven te midden van de economische schaarste en distributieregels van de oorlogsjaren.