Officiële brief/besluit van de Gemeente Amsterdam.
Origineel
Officiële brief/besluit van de Gemeente Amsterdam. 27 oktober 1941. De Burgemeester van Amsterdam (E.J. Voûte). Den heer J. Mescher, Rapenburg 36 II, Amsterdam. [Linksboven, getypt:]
L.M.
71/41 -1941-
[Rechtsboven, handgeschreven in rood en potlood:]
mi. Dir 836
Insp dets
[Vinkje]
[Rechtsboven, getypt:]
27 October 1941.
[Stempel in paars/blauw midden boven:]
№ 72/56/6 M. 1041 29/10
[Body tekst:]
Naar aanleiding van Uw schrijven van 7 dezer deel ik U mede, dat ik in verband met den ernstigen aard van Uw op 24 Augustus j.l. gepleegd wangedrag, geen termen kan vinden, om U wederom in het bezit van een ventvergunning te stellen.
vM
[Afsluiting:]
De Burgemeester van Amsterdam,
(get.) Voûte
de Gemeentesecretaris,
(get.) H. van Buuren
l.s.
[Adresregels onderaan:]
den heer J. Mescher,
Rapenburg 36 II,
A_L_H_I_E_R(C). Deze brief is een formele afwijzing door de gemeente Amsterdam op een verzoek van de heer J. Mescher om zijn ventvergunning terug te krijgen. De burgemeester motiveert dit besluit door te verwijzen naar "ernstig wangedrag" dat de geadresseerde op 24 augustus 1941 zou hebben gepleegd.
De brief is ondertekend (in kopie-vorm, aangegeven door "get.") door de collaborerende burgemeester Edward Voûte en de gemeentesecretaris. De afkorting "l.s." staat voor loco secretarie. De initialen "vM" duiden waarschijnlijk op de ambtenaar die de brief heeft opgesteld. Het adres Rapenburg 36 II bevond zich in de Amsterdamse Jodenbuurt. Het document dateert uit oktober 1941, ruim een jaar na het begin van de Duitse bezetting van Nederland. Edward Voûte was door de bezetter aangesteld als burgemeester van Amsterdam na het ontslag van burgemeester De Vlugt.
In deze periode werden de restricties voor de Joodse bevolking in Amsterdam steeds strenger. Het intrekken of weigeren van ventvergunningen was een effectief middel om mensen hun bron van inkomsten te ontnemen. Hoewel de brief spreekt van "wangedrag", werd deze term in die tijd vaak ruim geïnterpreteerd of als voorwendsel gebruikt om vergunningen van Joodse Amsterdammers in te trekken. De locatie van de ontvanger op Rapenburg, een straat die destijds grotendeels door Joodse gezinnen werd bewoond, maakt het waarschijnlijk dat deze weigering onderdeel was van de bredere economische uitsluiting van de Joodse gemeenschap tijdens de bezetting.