Pagina uit een proces-verbaal (genummerd "-2-").
Origineel
Pagina uit een proces-verbaal (genummerd "-2-"). -2-
grossier De Jong, die zooals mij later bleek ook de daad van Erken had gezien, vastgegrepen en met de kar en de kisten naar pakhuis Hal 20 overgebracht. Inmiddels had ik, verbalisant, Faas aangehouden en hem eveneens overgebracht naar pakhuis Hal 20, alwaar zij later door mij voorloopig zijn gehoord. Op de besproken handkar bevonden zich ondermeer 13 ledige kisten, welke, zooals ik, verbalisant, had gezien, door Erken waren weggenomen. Vijf van deze kisten waren gemerkt met "V.V.Naaldwijk" en acht met "V.V.Honselaarsdijk". Deze kisten heb ik voorloopig inbeslaggenomen.
Hierna hoorde ik, verbalisant, den knecht van grossier De Jong, die Erken na het wegnemen der kisten had meegenomen naar pakhuis Hal 20 en aan mij had overgeleverd. Bedoelde knecht, die mij desgevraagd opgaf te zijn genaamd: Johannes Andries Christiaan Pieterman, oud 50 jaar, wonende Maarten Harpertszoon Trompstraat 2 alhier, verklaarde mij als volgt: "Hedenmorgen omstreeks 9.25 uur bevond ik mij in het pakhuis Hal 20, toen de mij bekende Hagenbeek mij mededeelde, dat zich aan de achterzijde van pakhuis Hal 20 twee hem van aanzien bekende personen bevonden van wie Hagenbeek vermoedde, dat zij op Zaterdag 22 Maart 1941 een aantal ledige kisten hadden weggenomen van een stapel, welke achter genoemd pakhuis stond. Ik begaf mij direct naar den zolder van het pakhuis en zag vanaf de plaats, waar ik mij bevond, twee mij onbekende personen aan de achterzijde van het pakhuis staan. Bedoelde personen stonden dicht bij een stapel kisten, waarvan het mij bekend is, dat deze aan mijn patroon, den grossier De Jong, toebehooren. Vervolgens zag ik, dat een van deze personen zich verwijderde, waarna de andere even later een gedeelte van de stapel ledige kisten afnam, deze op een handkar laadde en zich vervolgens met de handkar wilde verwijderen. Ik heb mij toen onverwijld naar deze persoon begeven en hem met de handkar met kisten naar het pakhuis gebracht en later aan U overgegeven. Den persoon, die U mij vertoont (ik, verbalisant, vertoon aan Pieterman verdachte Erken) herken ik als denzelfde, die de kisten heeft weggenomen. Den anderen persoon, dien U mij vertoont (ik, verbalisant, vertoon hierna aan Pieterman verdachte Faas) herken ik als dengene, die even te voren met Erken had staan praten. De kisten, die U mij vertoont, (ik, verbalisant, vertoon aan Pieterman de 13 door mij inbeslaggenomen kisten) herken ik als dezelfde, die Erken heeft weggenomen."
Vervolgens hoorde ik, verbalisant, op 24 Maart 1941 meegenoemden Hagenbeek, aan wien ik Erken en Faas vertoonde, en verklaarde hij mij beide personen te herkennen als dezelfden van wie hij op Zaterdag 22 Maart 1941 des voormiddags omstreeks 9.20 uur had gezien, dat zij zich met een ledige handkar ophielden aan de achterzijde van pakhuis Hal 20, terwijl hij ze even later met deze kar, doch toen geladen met ledige kisten, had zien wegrijden.
Hierna hoorde ik, verbalisant, Erken, die mij als volgt verklaarde: "Hedenmorgen omstreeks 9 uur bevond ik mij op het terrein van de Centrale Markt waarheen ik mij had begeven om, indien mogelijk, voor verschillende personen vrachten te kunnen vervoeren. Waar ik echter eenige boetes moet betalen voor door mij begane overtredingen en ik met kruien hiertoe niet voldoende kan verdienen, rees bij mij het plan eenige ledige kisten weg te nemen om deze dan elders in te leveren en het statiegeld, dat ik hiervoor zou ontvangen dan te gebruiken om mijn schuld te voldoen. Toen ik mij ter hoogte van het Halgebouw op de Centrale Markt bevond, ontmoette ik daar den mij bekenden Piet Faas, dien ik van mijn voornemen op de hoogte stelde en verzocht hem mij hierbij behulpzaam te willen zijn en mij toe te staan de kisten, die ik zou kunnen wegnemen, met de handkar, die hij bij zich had, te mogen vervoeren. Aanvankelijk wilde hij hier niet op in gaan, doch stemde hij later toch toe. Tezamen hebben wij ons toen met de handkar naar de achterzijde van pakhuis Hal 20 begeven en daar de handkar bij een stapel ledige kisten neergezet. Terwijl Faas op eenigen afstand ging staan om uit te kijken, nam ik van de stapel een deel ledige kisten weg, legde die op de handkar en wilde mij toen verwijderen. Terstond werd ik toen door iemand vastgegrepen en met de handkar naar pakhuis Hal 20 overgebracht en aldaar aan U overgeleverd. Zou mijn poging zijn gelukt en ik het statiegeld voor de kisten hebben ontvangen, dan had ik dit voor mijzelf behouden. Ik had met Faas niet afgesproken, dat hij hiervan iets zou ontvangen. De kisten, welke U mij vertoont (ik, verbalisant, vertoon aan Erken de door mij inbeslaggenomen kisten, welke zich nog op de handkar bevinden) herken ik, als dezelfden, welke ik zoo juist heb weggenomen. Wie de eigenaar van deze kisten is weet ik niet. Ik heb van niemand toestemming verkregen om deze kisten weg te nemen, noch daar op andere wijze over te beschikken. Het is thans de eerste keer, dat ik mij aan een misdrijf schuldig maak. Dat ik op Zaterdag 22
/besproken
ggk. * De handeling: De kern van de zaak is de diefstal van 13 houten veilingkisten (5 van V.V. Naaldwijk en 8 van V.V. Honselaarsdijk). De diefstal werd opgemerkt door getuige Hagenbeek, waarna getuige Pieterman (de knecht van de eigenaar) de verdachte Erken op heterdaad betrapte vanaf een zolderverdieping.
* Motief: De verdachte Erken bekent schuld en voert financiële nood aan als motief. Hij stelt dat hij boetes moet betalen voor eerdere overtredingen en met zijn reguliere werk als sjouwer/kruier niet genoeg verdient. Het statiegeld van de kisten moest dienen om deze schulden af te lossen.
* Medeplichtigheid: Faas wordt als medeplichtige aangemerkt omdat hij de handkar ter beschikking stelde en op de uitkijk stond, hoewel Erken probeert Faas te ontlasten door te verklaren dat Faas niet zou meedeelen in de winst.
* Bewijsvoering: Er is sprake van directe getuigenverklaringen, een heterdaad-aanhouding en een bekentenis van de hoofdverdachte. De kisten zijn als corpus delicti in beslag genomen. * Tijdsbeeld: Het document dateert van maart 1941, tijdens de Duitse bezetting van Nederland in de Tweede Wereldoorlog. Hoewel de oorlog niet direct genoemd wordt, schetst het document een beeld van de dagelijkse criminaliteit en de economische druk (boetes, moeite om het hoofd boven water te houden) in die periode.
* Economie: De "Centrale Markt" en de pakhuizen wijzen op de groothandel in levensmiddelen. Veilingkisten waren in die tijd essentieel voor de distributie. Het feit dat iemand bereid is gearresteerd te worden voor het statiegeld van slechts 13 kisten, getuigt van de schaarste of de persoonlijke armoede van de verdachte.
* Terminologie: "Grossier" (groothandelaar), "Verbalisant" (de agent die het verslag opmaakt) en "Kruien" (het vervoeren van goederen met een handkar of kruiwagen) zijn typische termen voor de toenmalige handel en rechtspraak. De afkorting "V.V." op de kisten staat zeer waarschijnlijk voor "Veiling Vereniging".