Archiefdocument
Origineel
Juni 1941 (met diverse dateringen van 9 t/m 23 juni) N° 85 / 1 / 22 M. 1941 10/6
Schulden kramenverhuurders.
A.J. Roger, Lijnbaansgracht 256.
en
Wed. Schelvis, Rapenburgerstraat 102 II ~~Valkenburg~~
hebben beiden niet voldaan aan de
aanmaning van 9 Juni 1941.
De schuld bedraagt per 14 Juni 1941
resp. f 5.49 en f 1.00.
Waarschijnlijk is m. Schelvis verhuisd.
m.i. informeren bij bevolkingsregister [kantlijn:] br. bev. reg. 23/6 '41
Roger oproepen bij Inspecteur. [kantlijn:] opger. 20/6
Indien Roger ook aan deze oproeping
geen gevolg geeft, moet de vergunning
m.i. worden ingetrokken.
[Linksonder:]
Ter behandeling
aan Inspecteur.
[Stempel:]
17 JUNI 1941
[Onderaan:]
20/6 '41
Roger aan oproeping geen gevolg gegeven.
[Handtekening onleesbaar] Dit document is een interne ambtelijke notitie betreffende de invordering van achterstallige marktgelden of huur voor marktkramen. Het illustreert de strikte bureaucratische afhandeling van kleine schulden door de overheid.
Twee personen worden genoemd: A.J. Roger en de weduwe Schelvis. De bedragen waar het om gaat zijn gering (f 5,49 en f 1,00), maar de voorgestelde sancties zijn ingrijpend. De ambtenaar adviseert om bij Roger de vergunning in te trekken als hij niet op de oproep van de inspecteur reageert. Het intrekken van een dergelijke vergunning betekende in die tijd vaak het verlies van de primaire bron van inkomsten. Uit de latere aantekening onderaan blijkt dat Roger inderdaad niet op de oproep is verschenen, wat vermoedelijk leidde tot de voorgestelde intrekking van zijn vergunning. Het document dateert uit juni 1941, ruim een jaar na het begin van de Duitse bezetting van Nederland. De genoemde straten, de Lijnbaansgracht en de Rapenburgerstraat, bevinden zich in Amsterdam. De Rapenburgerstraat lag midden in de Jodenbuurt, wat in deze specifieke oorlogscontext relevant kan zijn voor het lot van de betrokkenen.
De administratieve toon van het document is zakelijk en meedogenloos; ondanks de oorlogsomstandigheden en de kleine bedragen werd er streng gehandhaafd. In 1941 nam de druk op de Amsterdamse bevolking toe door schaarste en steeds strengere regelgeving van de bezetter en het meewerkende stadsbestuur. Dit document biedt een inkijkje in de dagelijkse economische strijd van kleine zelfstandigen of marktkooplieden in oorlogstijd.
Samenvatting
Dit document is een interne ambtelijke notitie betreffende de invordering van achterstallige marktgelden of huur voor marktkramen. Het illustreert de strikte bureaucratische afhandeling van kleine schulden door de overheid.
Twee personen worden genoemd: A.J. Roger en de weduwe Schelvis. De bedragen waar het om gaat zijn gering (f 5,49 en f 1,00), maar de voorgestelde sancties zijn ingrijpend. De ambtenaar adviseert om bij Roger de vergunning in te trekken als hij niet op de oproep van de inspecteur reageert. Het intrekken van een dergelijke vergunning betekende in die tijd vaak het verlies van de primaire bron van inkomsten. Uit de latere aantekening onderaan blijkt dat Roger inderdaad niet op de oproep is verschenen, wat vermoedelijk leidde tot de voorgestelde intrekking van zijn vergunning.
Historische Context
Het document dateert uit juni 1941, ruim een jaar na het begin van de Duitse bezetting van Nederland. De genoemde straten, de Lijnbaansgracht en de Rapenburgerstraat, bevinden zich in Amsterdam. De Rapenburgerstraat lag midden in de Jodenbuurt, wat in deze specifieke oorlogscontext relevant kan zijn voor het lot van de betrokkenen.
De administratieve toon van het document is zakelijk en meedogenloos; ondanks de oorlogsomstandigheden en de kleine bedragen werd er streng gehandhaafd. In 1941 nam de druk op de Amsterdamse bevolking toe door schaarste en steeds strengere regelgeving van de bezetter en het meewerkende stadsbestuur. Dit document biedt een inkijkje in de dagelijkse economische strijd van kleine zelfstandigen of marktkooplieden in oorlogstijd.