Administratieve notitie / overzicht van openstaande schulden.
Origineel
Administratieve notitie / overzicht van openstaande schulden. 18 tot 23 oktober 1941. [Rechtsboven, stempel en handgeschreven:]
№ 85/1/42 M. 1941 22/10
[Centraal boven:]
Schulden kramenverhuurders
per 18 October 1941.
[Lijst met namen en bedragen:]
~~M. Cohen~~ / f 10.12.
~~Waterlooplein 57.~~
~~A. Jansen~~ / 6.06 [Aantekening rechts:] heeft betaald
~~Lindengracht 93~~ / op 22/10 '41 [Gevolgd door onleesbaar paraaf]
~~A. J. Roger~~ / 4.01.
~~Lindengracht 256~~
[Onderaan de lijst:]
nog schriftelijk aanmanen.
[Onderaan, diagonale aantekening in potlood/pen:]
acc. Cohen en Roger
[Onderaan, grote rode stempel/aantekening:]
85/1/43 M
[Onderaan, datumstempel:]
21 OKT. 1941
[Onderaan, kleine handgeschreven datum en paraaf:]
d. 23/10 '41 / W [omcirkeld] Dit document is een intern administratief overzicht van de gemeente Amsterdam (waarschijnlijk de Marktdienst) betreffende onbetaalde standgelden voor marktkramen. Het dateert uit oktober 1941, tijdens de Tweede Wereldoorlog.
Op de lijst staan drie personen vermeld met hun adres en het verschuldigde bedrag:
1. M. Cohen (Waterlooplein 57): verschuldigd bedrag f 10,12. Het Waterlooplein was destijds de centrale plek van de Joodse markt.
2. A. Jansen (Lindengracht 93): verschuldigd bedrag f 6,06. Er is bijgeschreven dat deze persoon op 22 oktober 1941 heeft betaald.
3. A. J. Roger (Lindengracht 256): verschuldigd bedrag f 4,01.
Alle namen zijn doorgehaald, wat er samen met de aantekening "acc. [akkoord] Cohen en Roger" en de vermelding van betaling door Jansen op wijst dat de posten zijn afgehandeld. De opmerking "nog schriftelijk aanmanen" getuigt van de formele procedure die werd gevolgd voordat de schulden werden voldaan of anderszins verwerkt. De datum van dit document, oktober 1941, is historisch significant. Amsterdam bevond zich op dat moment ruim een jaar onder Duitse bezetting. Voor Joodse marktkooplieden, zoals mogelijk M. Cohen aan het Waterlooplein, was de situatie uiterst precair. Sinds het begin van 1941 waren er talrijke anti-Joodse maatregelen van kracht geworden, waaronder beperkingen op waar en hoe Joodse burgers handel mochten drijven.
In september 1941 waren er specifieke verordeningen uitgevaardigd die de aanwezigheid van Joden op openbare markten verder beperkten of hen dwongen op aparte 'Joodse markten' te staan. Dit administratieve briefje toont de dagelijkse bureaucratie die, ondanks de oorlog en de vervolging, gewoon doorging. Het bijhouden van kleine schulden voor kramenverhuur was onderdeel van het strakke regime waarmee de marktmeesters en de gemeentelijke administratie toezicht hielden op de handelsactiviteiten in de stad.