Archief 745
Inventaris 745-365
Pagina 82
Dossier 7
Jaar 1941
Stadsarchief

Getypt ambtelijk schrijven (doorslag/carbonkopie).

16 januari 1941. Van: De Directeur (vermoedelijk van de Dienst van het Marktwezen, Amsterdam).

Origineel

Getypt ambtelijk schrijven (doorslag/carbonkopie). 16 januari 1941. De Directeur (vermoedelijk van de Dienst van het Marktwezen, Amsterdam). [Rechtsboven handgeschreven:]
W. Müller
W. de Beer
Verzonden 17/1

[Links boven:]
D/HG.
85/2/2 M.

16 Januari 1941.

Intrekking vergunning tot
het plaatsen van kramen ten
name van J.Brand.

den Heer Wethouder
voor de Levensmiddelen,
A l h i e r .

Ten vervolge op mijn brief van 24 December jl. No.85/64/3 M. heb ik de eer U te berichten, dat J.Brand met ingang van 13 Januari jl. zijn kramenmateriaal voor de markten Lindengracht, Westerstraat en Noordermarkt heeft verkocht aan G.Koudenburg, wien op 29 November 1938 onder no. 811 L.M.1938 door Burgemeester en Wethouders eveneens vergunning is verleend tot het opzetten van kramen op een anderen dan voor de markt bestemden tijd, op vorengenoemde markten. Het geheele ter zake door Brand verschuldigde bedrag is door Koudenburg aangezuiverd, dus ook hetgeen Brand voor de markt Mosplein verschuldigd was. Mijnerzijds bestaat thans geen bezwaar, dat de aan Brand verleende vergunning wordt gehandhaafd, uitsluitend voor het Mosplein; de hem voor de markten Lindengracht, Westerstraat en Noordermarkt verleende vergunning kan zonder bezwaar worden ingetrokken. Ik heb de eer U te adviseeren, de aan J.Brand verleende vergunning in vorenstaanden zin te doen wijzigen.

De Directeur, In deze brief adviseert de Directeur (waarschijnlijk van de Dienst van het Marktwezen) aan de Wethouder voor de Levensmiddelen om de vergunning van een zekere heer J. Brand te herzien. Aanleiding is de verkoop van kramenmateriaal door Brand aan een heer G. Koudenburg op 13 januari 1941.

Koudenburg heeft hierbij de openstaande schulden van Brand bij de gemeente voldaan, inclusief de schulden voor de markt op het Mosplein. Het advies luidt om de vergunning voor Brand in te trekken voor de Lindengracht, Westerstraat en Noordermarkt (waarvoor Koudenburg al een eigen vergunning had), maar deze te handhaven voor enkel de markt op het Mosplein. Het document dateert van januari 1941, ruim een half jaar na het begin van de Duitse bezetting van Nederland. Hoewel de brief een louter administratieve handeling over marktvergunningen lijkt te betreffen, is de context van de 'Ariërisering' van de Amsterdamse markten in deze periode van belang.

Vanaf eind 1940 en begin 1941 werden Joodse marktkooplieden steeds verder beperkt in hun vrijheden; uiteindelijk mochten zij vanaf de zomer van 1941 alleen nog op specifieke "Joodse markten" staan. Hoewel uit dit document niet direct blijkt of J. Brand van Joodse afkomst was, werden in deze periode veel vergunningen van Joodse ondernemers ingetrokken of onder dwang overgedragen aan niet-Joodse ondernemers. De genoemde markten (Lindengracht, Westerstraat, Noordermarkt) bevinden zich in de Jordaan en de directe nabijheid van de Joodse buurt in Amsterdam.

Samenvatting

In deze brief adviseert de Directeur (waarschijnlijk van de Dienst van het Marktwezen) aan de Wethouder voor de Levensmiddelen om de vergunning van een zekere heer J. Brand te herzien. Aanleiding is de verkoop van kramenmateriaal door Brand aan een heer G. Koudenburg op 13 januari 1941.

Koudenburg heeft hierbij de openstaande schulden van Brand bij de gemeente voldaan, inclusief de schulden voor de markt op het Mosplein. Het advies luidt om de vergunning voor Brand in te trekken voor de Lindengracht, Westerstraat en Noordermarkt (waarvoor Koudenburg al een eigen vergunning had), maar deze te handhaven voor enkel de markt op het Mosplein.

Historische Context

Het document dateert van januari 1941, ruim een half jaar na het begin van de Duitse bezetting van Nederland. Hoewel de brief een louter administratieve handeling over marktvergunningen lijkt te betreffen, is de context van de 'Ariërisering' van de Amsterdamse markten in deze periode van belang.

Vanaf eind 1940 en begin 1941 werden Joodse marktkooplieden steeds verder beperkt in hun vrijheden; uiteindelijk mochten zij vanaf de zomer van 1941 alleen nog op specifieke "Joodse markten" staan. Hoewel uit dit document niet direct blijkt of J. Brand van Joodse afkomst was, werden in deze periode veel vergunningen van Joodse ondernemers ingetrokken of onder dwang overgedragen aan niet-Joodse ondernemers. De genoemde markten (Lindengracht, Westerstraat, Noordermarkt) bevinden zich in de Jordaan en de directe nabijheid van de Joodse buurt in Amsterdam.

Kooplieden in dit dossier 99

A B Adriani
A. Cohen Uilenburg 1
A.C. ter Weyden Uilenburg 1
A. Jansen 10.46
A. J. Bogers 2.43
A J Noijen
Aäron van Praag Uilenburg
B. Kinschraper Uilenburg 1
B. Walberstadt Uilenburg
C. Kok Uilenburg
C. Goedhart Waterlooplein Alb.Cuypstraat
C. Goedhart Uilenburg Alb.Cuypstraat
C.J. Vaas Uilenburg } 1 pers.
D. Sebbeler Waterlooplein 2.50
Fa. Gondo
F.X. Waterlooplein 3.19
G. Hak Uilenburg } 2 pers
Brigadier Maas. Uilenburg
J. Triitman 100.-
G. Slikker Waterlooplein Alb.Cuypstraat
G. Slikker Uilenburg Alb.Cuypstraat
H. Hamjé 0495 Uilenburg 1 pers
Alle 99 kooplieden →

Gerelateerde Documenten 6