Ambtelijke correspondentie / Rapportage.
Origineel
Ambtelijke correspondentie / Rapportage. 11 augustus 1941. C.J. Brons. (Marginale aantekeningen linksboven en in de marge:)
Dapperstraat
nog eenmaal oproepen op 8-9-’41
[onleesbare paraaf] 8/9-’41 - 9 1/2-10 u
Bootsma oproepen [paraaf] 13/8 ’41
persoonlijk komt 25/8 ’41 9.30 uur
Rijnwaardstr. 99 IV
(Hoofdtekst:)
11 Aug: 1941
Den Heer Inspecteur
Aangaande het verzoek v/a H.H. Bootsma pl: n: 160, zou ik U in overweging willen geven het verzoek niet toe te staan, daar de argumenten welke Bootsma daarvoor aanvoerd niet juist zijn. Wat de z:g: oude kar en stal aangaat meen ik dat stal en kar in goede staat zijn, maar daar ik niet op eigen oordeel af wilde gaan, heb ik ook de meening gevraagd van de markt opz: Uitvliegt en van de stallenzetter H. de Boer, ook hun meening was gunstig. Wat het lange wachten op zijn bakfiets aangaat wanneer Bootsma op de meest ongelegen tijd (zonder te waarschuwen) om zijn bakfiets komt, ja dan is het begrijpelijk dat hij wachten moet voor die bakfiets uit de loods is gehaald, omdat er dikwijls heel wat karren verplaatst moeten worden voor men bij die bakfiets kan komen.-
C. J. Brons De kern van dit document is een ambtelijk advies over een geschil op de markt (vermoedelijk de Dappermarkt in Amsterdam). Marktkoopman H.H. Bootsma heeft een verzoek ingediend, waarschijnlijk voor vervanging van materieel of een aanpassing in de logistiek.
De rapporteur, C.J. Brons, adviseert de Inspecteur negatief. Hij weerlegt Bootsma's argumenten op twee punten:
1. De staat van het materieel: Bootsma beweert blijkbaar dat zijn kar en stal in slechte staat zijn ("z:g: oude kar"). Brons heeft dit gecheckt bij de marktopzichter (Uitvliegt) en de stallenzetter (H. de Boer), die beiden verklaren dat het materieel in orde is.
2. Logistieke klachten: Bootsma beklaagt zich over de wachttijd voor zijn bakfiets. Brons stelt dat dit komt doordat Bootsma onaangekondigd op "ongelegen tijden" komt, waardoor eerst andere karren in de opslagloods verplaatst moeten worden.
De marginale aantekeningen duiden op de administratieve afhandeling van de zaak, waarbij Bootsma meerdere malen is opgeroepen voor een persoonlijk gesprek of verhoor in augustus en september 1941. Het document dateert van augustus 1941, tijdens de Duitse bezetting van Nederland. In deze periode stond het marktwezen in Amsterdam onder strikt toezicht. De Dapperstraat was (en is) een centrale marktlocatie.
Hoewel de brief op het eerste gezicht een alledaags zakelijk conflict lijkt over marktmaterieel, is de tijdsgeest van belang: in 1941 werden de regels voor markthandelaren steeds strenger, mede door schaarste aan materialen en de toenemende uitsluiting van Joodse handelaren (hoewel er in dit specifieke document geen directe aanwijzing is voor de etniciteit van de betrokkenen). De bureaucratische nauwkeurigheid waarmee de "staat van een kar" en de "wachttijd voor een bakfiets" wordt gerapporteerd, is tekenend voor de strakke organisatie van het Amsterdamse marktwezen in oorlogstijd. Aangaande het (Inspecteur) C.J. Brons H. de Boer H.H. Bootsma J. Brons Marktwezen