Ambtelijke brief / Correspondentiewijze.
Origineel
Ambtelijke brief / Correspondentiewijze. 6 oktober 1941. De Directeur (vermoedelijk van een Amsterdamse gemeentelijke dienst, gelet op de adressering "Alhier"). VD/HG.
85/21/2 M.
Verzoek van Front van Nering en Ambacht Afd. Rotterdam.
6 October 1941.
den Heer Wethouder
voor de Levensmiddelen,
A l h i e r .
In bijlage dezes heb ik de eer U een afschrift te doen toekomen van een op 23 September jl. door het Front van Nering en Ambacht aan mij gerichten brief, houdende het verzoek een lijst te verstrekken van de namen en adressen van kramenverhuurders te Amsterdam. Dergelijke opgaven zijn tot nu toe nimmer aan organisaties verstrekt; in dit verband breng ik in herinnering den brief van Uw Ambtsvoorganger d.d. 7 December 1940 (No. 1066 L.M.1940), waarbij een soortgelijk verzoek van het Nederlandsch Boerenfront is afgewezen en mijn brief d.d. 1 Juli jl. (No. 37/58/2 M.) inzake een verzoek van het Nederlandsch Agrarisch Front, hetwelk tot op heden evenmin is ingewilligd.
In tegenstelling met de vorige verzoeken merk ik op, dat de aan het onderhavige verzoek verbonden werkzaamheden gering zijn, daar het hier slechts om een 80-tal personen gaat.
Ik zal gaarne van U vernemen of het verzoek al dan niet moet worden ingewilligd.
De Directeur, In deze brief vraagt een niet nader genoemde directeur (mogelijk van de Marktdienst of een verwante economische afdeling in Amsterdam) instructies aan de Wethouder voor de Levensmiddelen over het al dan niet verstrekken van persoonsgegevens aan een politiek gekleurde organisatie.
De kern van het document is de afweging tussen ambtelijke precedenten en de veranderende politieke realiteit. De directeur stelt vast dat dergelijke privacygevoelige informatie (namen en adressen van 80 kramenverhuurders) voorheen consequent werd geweigerd aan nationaalsocialistisch georiënteerde organisaties zoals het Nederlandsch Boerenfront. Hij merkt echter op dat het in dit specifieke geval om een relatief kleine groep gaat, wat suggereert dat hij een opening zoekt om het verzoek ditmaal wellicht wél in te willigen, ondanks eerdere weigeringen door de wethouder of diens voorganger. Het document dateert uit oktober 1941, ruim een jaar na het begin van de Duitse bezetting van Nederland. In deze periode trachtten nationaalsocialistische mantelorganisaties, zoals het hier genoemde Front van Nering en Ambacht (een onderdeel van het Nederlands Arbeidsfront), grip te krijgen op het economische en sociale leven.
Het "Front van Nering en Ambacht" was bedoeld als de corporatieve organisatie voor de middenstand. Het opvragen van lijsten met namen en adressen was een methode om toezicht te houden, leden te werven of de "gelijkschakeling" van beroepsgroepen af te dwingen. De brief illustreert het spanningsveld waarin ambtenaren zich bevonden: vasthouden aan oude regels en privacy-normen uit de vooroorlogse periode, versus de toenemende druk van de bezetter en diens gelieerde organisaties om mee te werken aan de nieuwe orde. De verwijzing naar eerdere weigeringen (december 1940 en juli 1941) laat zien dat het gemeentebestuur in eerste instantie weerstand bood aan deze informatieverzoeken.