Archief 745
Inventaris 745-365
Pagina 246
Dossier 30
Jaar 1941
Stadsarchief

Getypte brief (doorslag) met handgeschreven kanttekeningen.

6 juni 1941.

Origineel

Getypte brief (doorslag) met handgeschreven kanttekeningen. 6 juni 1941. [Linksboven, handgeschreven in paarse inkt:]
Verzonden 6/6

[Rechtsboven, handgeschreven:]
Afd. Dajon [mogelijk: Afdeling Marktwezen/Dajon]

[Rechtsboven, getypt:]
HG.

[Briefhoofd:]
het Gewestelijk Arbeidsbureau,
Passeerdersgracht 30-32,
Amsterdam-Centrum.
Wijk 6.

86/3/10 M.
6 Juni 1941.

Tewerkgestelden
in Duitschland.

Ten vervolge op mijn brief d.d. 28 Februari jl. (No.86/3/7 M.) verzoek ik U beleefd mij te willen mededeelen, of onderstaande kooplieden voldoen aan het gestelde in het Besluit van Burgemeester en Wethouders d.d. 13 December jl. No.987 L.M.1940.

De Directeur,

Naam Geb.datum Adres No.plaats of v.k.k. Markt
G. Slikker 27-12-07 Gov.Flinckstraat 192 233 Alb.Cuypstraat
I. Bromet 6-7-10 Markenplein 4 73 Sumatrastraat
C. Goedhart 10-6-91 L.Leidschedwarsstr.172 I 333 Alb.Cuypstraat

De directeur van het Arbeidsbureau vraagt of deze mannen voldoen aan een specifiek besluit van Burgemeester en Wethouders uit december 1940. De context van de brief is de "Tewerkstelling in Duitschland" (de Arbeitseinsatz). Het bureau onderzoekt waarschijnlijk of deze mannen rechtmatig hun beroep als zelfstandig koopman uitoefenen, wat hen mogelijk zou vrijstellen van gedwongen tewerkstelling in de Duitse oorlogsindustrie.

Opvallend is de naam I. Bromet, woonachtig op Markenplein 4. Dit plein lag in het hart van de Amsterdamse Jodenbuurt. In juni 1941 waren de anti-Joodse maatregelen in volle gang; Joodse kooplieden werden in deze periode systematisch van de openbare markten verdreven. In 1941 werd de druk op de Nederlandse beroepsbevolking om in Duitsland te gaan werken opgevoerd. Het Gewestelijk Arbeidsbureau speelde hierin een centrale, faciliterende rol voor de bezetter.

Het genoemde "Besluit van Burgemeester en Wethouders d.d. 13 December 1940" heeft betrekking op de regulering van marktplaatsen. Tijdens de bezetting werden dergelijke administratieve regels vaak gebruikt om te controleren wie er nog economisch actief mocht zijn. Voor Joodse Amsterdammers, zoals de hier genoemde I. Bromet, betekende dit een voorbode van de totale uitsluiting uit het economisch leven. Kort na de datum van deze brief zouden Joodse kooplieden alleen nog op specifiek aangewezen 'Joodse markten' mogen staan, voordat zij definitief hun vergunning verloren en werden weggevoerd.

Het document illustreert de bureaucratische nauwkeurigheid waarmee de bezetter en de meewerkende Nederlandse instanties het leven van burgers in kaart brachten ten behoeve van de arbeidsinzet en de vervolging.

Samenvatting

Dit document is een ambtelijke correspondentie van het Gewestelijk Arbeidsbureau te Amsterdam, daterend uit de Tweede Wereldoorlog (juni 1941). De kern van de brief is een informatieverzoek over drie specifieke marktkooplieden.

De directeur van het Arbeidsbureau vraagt of deze mannen voldoen aan een specifiek besluit van Burgemeester en Wethouders uit december 1940. De context van de brief is de "Tewerkstelling in Duitschland" (de Arbeitseinsatz). Het bureau onderzoekt waarschijnlijk of deze mannen rechtmatig hun beroep als zelfstandig koopman uitoefenen, wat hen mogelijk zou vrijstellen van gedwongen tewerkstelling in de Duitse oorlogsindustrie.

Opvallend is de naam I. Bromet, woonachtig op Markenplein 4. Dit plein lag in het hart van de Amsterdamse Jodenbuurt. In juni 1941 waren de anti-Joodse maatregelen in volle gang; Joodse kooplieden werden in deze periode systematisch van de openbare markten verdreven.

Historische Context

In 1941 werd de druk op de Nederlandse beroepsbevolking om in Duitsland te gaan werken opgevoerd. Het Gewestelijk Arbeidsbureau speelde hierin een centrale, faciliterende rol voor de bezetter.

Het genoemde "Besluit van Burgemeester en Wethouders d.d. 13 December 1940" heeft betrekking op de regulering van marktplaatsen. Tijdens de bezetting werden dergelijke administratieve regels vaak gebruikt om te controleren wie er nog economisch actief mocht zijn. Voor Joodse Amsterdammers, zoals de hier genoemde I. Bromet, betekende dit een voorbode van de totale uitsluiting uit het economisch leven. Kort na de datum van deze brief zouden Joodse kooplieden alleen nog op specifiek aangewezen 'Joodse markten' mogen staan, voordat zij definitief hun vergunning verloren en werden weggevoerd.

Het document illustreert de bureaucratische nauwkeurigheid waarmee de bezetter en de meewerkende Nederlandse instanties het leven van burgers in kaart brachten ten behoeve van de arbeidsinzet en de vervolging.

Kooplieden in dit dossier 99

A B Adriani
A. Cohen Uilenburg 1
A.C. ter Weyden Uilenburg 1
A. Jansen 10.46
A. J. Bogers 2.43
A J Noijen
Aäron van Praag Uilenburg
B. Kinschraper Uilenburg 1
B. Walberstadt Uilenburg
C. Kok Uilenburg
C. Goedhart Waterlooplein Alb.Cuypstraat
C. Goedhart Uilenburg Alb.Cuypstraat
C.J. Vaas Uilenburg } 1 pers.
D. Sebbeler Waterlooplein 2.50
Fa. Gondo
F.X. Waterlooplein 3.19
G. Hak Uilenburg } 2 pers
Brigadier Maas. Uilenburg
J. Triitman 100.-
G. Slikker Waterlooplein Alb.Cuypstraat
G. Slikker Uilenburg Alb.Cuypstraat
H. Hamjé 0495 Uilenburg 1 pers
Alle 99 kooplieden →

Gerelateerde Documenten 6