Brief / Circulaire
Origineel
Brief / Circulaire 27 februari 1941 De Stadsingenieur (Voorzitter Kleine Benzinecommissie) No 100/3/4 M.1941 20/2
S.I.1358/111 B II
Dienst der Publieke Werken.
Amsterdam, 27 Februari 1941.
Aan Heeren Hoofden van Diensten en Bedrijven.
[Handgeschreven namen: m. H. Jankman, H. Broese]
Hiermede verzoek ik U, mij een opgave te doen toekomen van de onderstaande gegevens:
1. de totale hoeveelheid benzine, welke bij Uw Dienst/Bedrijf aanwezig was op 1 Maart 1941 des morgens voor aanvang van den dienst (hoeveelheid in tanks van auto's, motorfietsen, vaartuigen e.d. niet medegerekend).
2. de hoeveelheid benzine, welke op dat tijdstip was geblokkeerd, hetzij door den Burgemeester of door het Gemeentelijk Materialenbureau.
Opgave van de eventueel van Rijkswege verzegelde hoeveelheid benzine is niet noodig.
Uw opgave zie ik gaarne uiterlijk Woensdag 5 Maart a.s. tegemoet.
vdH.
De Stadsingenieur,
Voorzitter Kleine Benzinecommissie
[Handtekening: W. Heemskerck (?) ] Dit document is een officiële aanvraag van de Stadsingenieur van Amsterdam, in zijn hoedanigheid als voorzitter van de 'Kleine Benzinecommissie', gericht aan de hoofden van de diverse gemeentelijke diensten en bedrijven.
De kern van de brief is een inventarisatie van de aanwezige brandstofvoorraden (benzine) per 1 maart 1941. Er wordt specifiek gevraagd naar de voorraad die niet in voertuigen zit, en naar de hoeveelheden die 'geblokkeerd' zijn door de burgemeester of het Materialenbureau. De korte deadline (inzenden voor 5 maart) duidt op de urgentie van het brandstofbeheer in deze periode.
De afkorting "vdH." linksboven de functietitel wijst waarschijnlijk op de opsteller of secretaris van de commissie. De handgeschreven namen rechtsboven zijn vermoedelijk van ambtenaren die het document ter kennisname hebben ontvangen of verwerkt. De datum van de brief, 27 februari 1941, is historisch zeer significant. Het is precies twee dagen na het uitbreken van de Februaristaking (25-26 februari 1941) in Amsterdam, het eerste grootschalige openlijke verzet tegen de Duitse bezetter en de Jodenvervolging in Europa.
Tijdens de bezetting was benzine een uiterst schaars en strategisch goed. De Duitse bezetter stelde strikte rantsoenering in om de eigen oorlogsmachine te bevoorraden. De oprichting van organen zoals de 'Kleine Benzinecommissie' en het 'Gemeentelijk Materialenbureau' toont aan hoe de Amsterdamse bureaucratie werd ingezet (en gedwongen) om de resterende middelen tot op de liter nauwkeurig te administreren en te controleren. De uitsluiting van 'van Rijkswege verzegelde' benzine suggereert dat die voorraden reeds onder direct beheer van de centrale (pro-Duitse) overheid stonden. H. Broese H. Jankman W. Heemskerck Publieke Werken
Samenvatting
Dit document is een officiële aanvraag van de Stadsingenieur van Amsterdam, in zijn hoedanigheid als voorzitter van de 'Kleine Benzinecommissie', gericht aan de hoofden van de diverse gemeentelijke diensten en bedrijven.
De kern van de brief is een inventarisatie van de aanwezige brandstofvoorraden (benzine) per 1 maart 1941. Er wordt specifiek gevraagd naar de voorraad die niet in voertuigen zit, en naar de hoeveelheden die 'geblokkeerd' zijn door de burgemeester of het Materialenbureau. De korte deadline (inzenden voor 5 maart) duidt op de urgentie van het brandstofbeheer in deze periode.
De afkorting "vdH." linksboven de functietitel wijst waarschijnlijk op de opsteller of secretaris van de commissie. De handgeschreven namen rechtsboven zijn vermoedelijk van ambtenaren die het document ter kennisname hebben ontvangen of verwerkt.
Historische Context
De datum van de brief, 27 februari 1941, is historisch zeer significant. Het is precies twee dagen na het uitbreken van de Februaristaking (25-26 februari 1941) in Amsterdam, het eerste grootschalige openlijke verzet tegen de Duitse bezetter en de Jodenvervolging in Europa.
Tijdens de bezetting was benzine een uiterst schaars en strategisch goed. De Duitse bezetter stelde strikte rantsoenering in om de eigen oorlogsmachine te bevoorraden. De oprichting van organen zoals de 'Kleine Benzinecommissie' en het 'Gemeentelijk Materialenbureau' toont aan hoe de Amsterdamse bureaucratie werd ingezet (en gedwongen) om de resterende middelen tot op de liter nauwkeurig te administreren en te controleren. De uitsluiting van 'van Rijkswege verzegelde' benzine suggereert dat die voorraden reeds onder direct beheer van de centrale (pro-Duitse) overheid stonden.