Ambtsbrief / Circulaire
Origineel
Ambtsbrief / Circulaire 15 augustus 1942 De Wethouder voor de Arbeidszaken (T.J. Mijling) Heeren Hoofden van administratiën, diensten en bedrijven G E M E E N T E A M S T E R D A M.
No. 1227 d Arb. 1942.
Amsterdam, 15 Augustus 1942.
Onderwerp: Verlenging tijdperk
van tijdelijken dienst van
ambtenaren.
[Paars stempel:] No 8A/54/1 [handgeschreven:] 17/8
[Handgeschreven aantekening:] mr. Del.
In het tweede lid van art. 6 van het Ambtenarenreglement wordt
bepaald, dat aan de aanstelling van een volwassen ambtenaar in vas-
ten dienst in den regel een aanstelling in tijdelijken dienst ge-
durende ten hoogste drie jaar voorafgaat. Ter bepaling van het
tijdperk van drie jaar tellen ook mede de jaren, doorgebracht als
jeugdig ambtenaar.
Volgens het derde lid van dit artikel kan echter tijdelijk
van dezen regel worden afgeweken ten aanzien van bepaalde nader
aan te wijzen diensttakken.
Gaarne zal ik van U vernemen, of er naar Uw oordeel in de hui-
dige tijdsomstandigheden aanleiding kan worden gevonden ten aan-
zien van Uw diensttak van vorengenoemde bevoegdheid gebruik te ma-
ken, aangezien geen zekerheid bestaat, dat aan de diensten van de
thans in tijdelijken dienst werkzaam zijnde ambtenaren in de toe-
komst blijvend behoefte zal bestaan.
Uw antwoord zie ik gaarne vóór den 25en Augustus a.s. tegemoet.
Aan Heeren Hoofden van De Wethouder voor de Arbeidszaken,
administratiën, diensten en
bedrijven.
[Handtekening: T.J. Mijling]
Arb.Z, Stadhuis,
A’dam, Aug. ’42. Dit document is een ambtelijke mededeling van de gemeente Amsterdam waarin wordt voorgesteld om de termijn van tijdelijke aanstellingen van ambtenaren te verlengen. Normaal gesproken werd een ambtenaar na maximaal drie jaar tijdelijke dienst vast aangesteld (volgens artikel 6 van het Ambtenarenreglement). De wethouder vraagt de diensthoofden of zij gebruik willen maken van de uitzonderingsregel om deze driejaarstermijn op te schorten. De reden hiervoor is de onzekerheid of er in de toekomst nog wel werk voor dit personeel zal zijn. Het document getuigt van een voorzichtig personeelsbeleid waarbij men vaste verplichtingen wil vermijden. De brief dateert van augustus 1942, een cruciale periode tijdens de Duitse bezetting van Nederland. De "huidige tijdsomstandigheden" waar de brief naar verwijst, duiden op de oorlogssituatie en de economische onzekerheid die daarmee gepaard ging. Onder het bewind van de toenmalige burgemeester Edward Voûte en de NSB-wethouder voor Arbeidszaken, T.J. Mijling, werd het gemeentelijk apparaat strakker gecontroleerd en aangepast aan de wensen van de bezetter. De onzekerheid over de personeelsbehoefte kan te maken hebben met de verwachte inkrimping van bepaalde diensten, de gedwongen tewerkstelling in Duitsland (Arbeitseinsatz) of de algemene instabiliteit van het bestuur tijdens de bezetting. Door ambtenaren niet vast aan te stellen, hield de gemeente de handen vrij om personeel makkelijker te kunnen ontslaan.