Ambtelijke circulaire / interne mededeling.
Origineel
Ambtelijke circulaire / interne mededeling. 6 maart 1942. De Directeur der Gemeentebelastingen, Amsterdam. Heeren Hoofden van Diensten, Bedrijven en Administratiën. [Handgeschreven rechtsboven:] sh Müller
OMZETBELASTING
No 10/7/2 M. 1942 10/3 [Stempel]
Amsterdam, 6 Maart 1942
I Bij besluit van den Secretaris-Generaal van het Departement van Financiën van 21 Augustus 1940, betreffende wijziging van de Omzetbelastingwet 1933 (Staatsblad No. 546), werd o.m. bepaald, dat de omzetbelasting en het bijzonder invoerrecht, met afwijking in zooverre van de in art. 6, eerste en tweede lid, genoemde percentages van vier en tien, worden geheven tot een bedrag van onderscheidenlijk zes en twaalf ten honderd, behalve met betrekking tot eenige met name genoemde goederen.
Voorts werd bepaald, dat aan personen of lichamen, die ten gebruike in hun bedrijf of beroep machines, werktuigen, gereedschappen en vervoermiddelen aanschaffen en daartoe gedaan verzoek, vrijstelling of teruggaaf wordt verleend van een derde deel van het voor die goederen verschuldigde bedrag aan omzetbelasting of bijzonder invoerrecht.
Vrijstelling of teruggaaf van belasting tot een bedrag van minder dan tien gulden wordt niet verleend.
Bovengenoemd besluit is in werking getreden op 1 October 1940.
II Bij aanschrijving van 3 Juli 1941, No. 1 van het Departement van Financiën, betreffende de toepassing van het Besluit op de Omzetbelasting 1940 ten aanzien van publiekrechtelijke lichamen, is o.m. bepaald, dat niet zelf vervaardigde goederen door de gemeentelijke bedrijven en diensten zonder verdubbeling kunnen worden betrokken. (Dit is het geval, als een bedrijf of dienst ondernemer is. Een bedrijf of dienst is eerst dan ondernemer, wanneer leveringen aan derden meer dan slechts zeer bijkomstig voorkomen; onder derden zijn daarbij tevens te verstaan andere bedrijven of diensten, die zelf als ondernemer moeten worden aangemerkt).
De levering van niet zelf vervaardigde goederen door een gemeentebedrijf aan een ánder gemeentebedrijf is zoowel vóór als na 1 Juli 1941 niet aan de heffing onderworpen.
Ik breng het vorenstaande onder Uwe aandacht in verband met de mogelijkheid, dat verzuimd is teruggaaf van omzetbelasting te vragen in het onder I bedoelde geval, terwijl het verder niet uitgesloten is, dat voor het eerste halfjaar 1941 door den leverancier een te hoog bedrag voor omzetbelasting in rekening is gebracht voor de onder II bedoelde betrokken goederen of ten onrechte omzetbelasting is betaald voor de onder II bedoelde doorleveringen.
De Inspecteur der accijnzen is bevoegd teruggaaf ambtshalve te verleenen, indien, hetzij sedert de dagteekening van het aanslagbiljet, hetzij sedert het einde van het tijdvak waarin het recht op teruggaaf is ontstaan, hetzij sedert den datum van de beschikking op een verzoekschrift om teruggaaf, <u>nog geen twee jaren zijn verstreken</u>. Voor de daarvoor in te dienen verzoekschriften moet worden gebruik gemaakt van bij de inspecteurs en ontvangers der accijnzen kosteloos verkrijgbaar gestelde formulieren.
Ik merk hierbij voorts op, dat met ingang van 1 Januari 1941 het Besluit op de Omzetbelasting 1940 in werking is getreden en op dat tijdstip de Omzetbelastingwet 1933 is vervallen. De teruggaaf bedoeld onder I heeft dus uitsluitend betrekking op het over het vierde kwartaal van het jaar 1940 betaalde bedrag aan omzetbelasting of bijzonder invoerrecht.
[Getekend:]
De Directeur
der Gemeentebelastingen,
[Handtekening in paars/blauw:] A. Tubbe(?)
Aan Heeren Hoofden van Diensten,
Bedrijven en Administratiën.
Secretarie A'dam
afd. Bel. no. 324 Dit document is een interne instructie van de Amsterdamse belastingdienst, gericht aan de hoofden van de diverse gemeentelijke afdelingen en bedrijven. De kern van de mededeling is een waarschuwing dat de gemeente mogelijk geld laat liggen door niet optimaal gebruik te maken van nieuwe belastingregels.
Er worden twee specifieke regelingen besproken:
1. Investeringsfaciliteit (1940): Bedrijven kunnen een derde van de betaalde omzetbelasting terugvragen op de aanschaf van bedrijfsmiddelen (machines, werktuigen, etc.).
2. Interne leveringen (1941): Verduidelijking dat goederen die door het ene gemeentebedrijf aan het andere worden geleverd (zonder dat ze zelf zijn geproduceerd), niet dubbel belast mogen worden.
De directeur wijst erop dat teruggave nog "ambtshalve" geregeld kan worden als dit binnen de termijn van twee jaar gebeurt. Het document dient dus als een administratieve controle en een oproep tot correctie van de boekhouding over de jaren 1940 en 1941. Het document dateert van maart 1942, midden in de Duitse bezetting van Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog. Hoewel het een puur administratief document lijkt, weerspiegelt het de politieke realiteit van die tijd:
- Bestuur door Secretarissen-Generaal: De tekst verwijst naar besluiten van de "Secretaris-Generaal van het Departement van Financiën". Omdat de Nederlandse regering in Londen zat en het parlement was ontbonden, hadden de hoogste ambtenaren (onder toezicht van de bezetter) de wetgevende macht overgenomen.
- Fiscale overgang: In deze periode werd de Nederlandse belastingwetgeving aangepast. De Omzetbelastingwet van 1933 werd vervangen door het Besluit op de Omzetbelasting 1940. Dit was deels bedoeld om de belastingopbrengsten te verhogen (zoals de stijging van 4% naar 6% in de tekst laat zien) om de bezettingskosten en de oorlogsvoering te kunnen financieren.
- Administratieve continuïteit: Ondanks de oorlog en bezetting bleef de gemeentelijke bureaucratie nauwgezet functioneren. Ambtenaren hielden zich bezig met de precieze uitvoering van fiscale regels, alsof er een normale juridische situatie bestond.