Handgeschreven bericht op een kaart (mogelijk een correspondentiekaart of deel van een dossier).
Origineel
Handgeschreven bericht op een kaart (mogelijk een correspondentiekaart of deel van een dossier). 1 februari (waarschijnlijk 1942, gezien de historische context van de Joodsche Raad). S. Emel. Mijnheer [rechts] 1 Februari
Mijn Ventvergunning is door de
Joodsche raad Diamantbeurs al afgenomen
daar ik een brandstoffen zaak heeft.
Hoogachtend
S. Emel Rapenburgerstraat 108 II
Amsterdam.
7/11 * Inhoud: De schrijver, S. Emel, deelt mee dat zijn of haar ventvergunning (een vergunning om goederen op straat te verkopen) reeds is ingenomen door de afdeling van de Joodsche Raad die gevestigd was in de Diamantbeurs.
* Reden: De reden voor de inname is dat de betrokkene al over een "brandstoffen zaak" (waarschijnlijk handel in kolen of hout) beschikt. In de bureaucratie van de bezettingstijd moesten Joodse ondernemers vaak kiezen of werden vergunningen geconsolideerd of ingetrokken als onderdeel van de toenemende beperkingen.
* Taalgebruik: Het taalgebruik is zakelijk en formeel. Opvallend is de archaïsche of dialectische vervoeging "ik... heeft" in de vierde regel.
* Locatie: De Rapenburgerstraat bevond zich in het hart van de Amsterdamse Jodenbuurt. De vermelding "II" duidt op de tweede verdieping. Dit document stamt uit de periode van de Duitse bezetting van Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog. De Joodsche Raad voor Amsterdam, opgericht in februari 1941, had diverse kantoren. De Diamantbeurs aan het Weesperplein was een van de belangrijkste administratieve centra van de Raad.
Joodse burgers werden door de bezetter verplicht om via de Joodsche Raad hun zaken te regelen, waaronder arbeidsinzet en vergunningen. De intrekking van ventvergunningen was vaak een voorbode van de verdere economische uitsluiting en uiteindelijke deportatie van de Joodse bevolking. De notatie "7/11" linksonder is waarschijnlijk een administratieve verwijzing naar een dossier of registratienummer binnen de administratie van de Joodsche Raad. S. Emel
Samenvatting
- Inhoud: De schrijver, S. Emel, deelt mee dat zijn of haar ventvergunning (een vergunning om goederen op straat te verkopen) reeds is ingenomen door de afdeling van de Joodsche Raad die gevestigd was in de Diamantbeurs.
- Reden: De reden voor de inname is dat de betrokkene al over een "brandstoffen zaak" (waarschijnlijk handel in kolen of hout) beschikt. In de bureaucratie van de bezettingstijd moesten Joodse ondernemers vaak kiezen of werden vergunningen geconsolideerd of ingetrokken als onderdeel van de toenemende beperkingen.
- Taalgebruik: Het taalgebruik is zakelijk en formeel. Opvallend is de archaïsche of dialectische vervoeging "ik... heeft" in de vierde regel.
- Locatie: De Rapenburgerstraat bevond zich in het hart van de Amsterdamse Jodenbuurt. De vermelding "II" duidt op de tweede verdieping.
Historische Context
Dit document stamt uit de periode van de Duitse bezetting van Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog. De Joodsche Raad voor Amsterdam, opgericht in februari 1941, had diverse kantoren. De Diamantbeurs aan het Weesperplein was een van de belangrijkste administratieve centra van de Raad.
Joodse burgers werden door de bezetter verplicht om via de Joodsche Raad hun zaken te regelen, waaronder arbeidsinzet en vergunningen. De intrekking van ventvergunningen was vaak een voorbode van de verdere economische uitsluiting en uiteindelijke deportatie van de Joodse bevolking. De notatie "7/11" linksonder is waarschijnlijk een administratieve verwijzing naar een dossier of registratienummer binnen de administratie van de Joodsche Raad.