Handgeschreven brief/ambtelijke notitie.
Origineel
Handgeschreven brief/ambtelijke notitie. 16 juli 1942. Onduidelijk (geparafeerd, mogelijk een lagere ambtenaar of afdelingshoofd). Directeur-Generaal van het Rijksarbeidsbureau. [Links boven, in rode inkt:] 10/3/59
[Daaronder, in potlood:] 17
[Rechts boven:] 16/7 1942
[Midden boven:] A'dam,
[Links midden, in potlood:] 17/3/142/48
[Midden:] Dir. Gen. Arbeids-
bureau
Ter vervolge op mijn
brief v. [in rode inkt:] 6/2 - 42 Nº [in rode inkt:] 10/3/43
heb ik de eer u in bijlage
dezes een opgave te
doen toekomen van de
Joodsche venters, die tot
nu toe in gebreke zijn
gebleven om de hun
verleende v. v. in
te leveren.
[Rechts onder, paraaf:] AA
[Daaronder een rode markering/paraaf] De brief is een formele ambtelijke mededeling waarin wordt verwezen naar een eerdere correspondentie uit februari 1942. De schrijver stuurt een bijlage (die hier niet aanwezig is) met een lijst van "Joodsche venters". Deze straatverkopers hebben verzuimd hun "v. v." in te leveren. De afkorting "v. v." staat hoogstwaarschijnlijk voor vergunningsbewijzen of specifiek ventvergunningen.
De verschillende nummers in rode inkt en potlood duiden op een strikte archivering en dossierbeheer binnen de bureaucratie van de bezettingstijd. De toon is zakelijk en procedureel, wat typerend is voor de administratieve afhandeling van de uitsluiting van Joodse burgers uit het economische leven. Dit document stamt uit juli 1942, een kritieke fase in de Duitse bezetting van Nederland. Vanaf 1940 werden Joden stelselmatig uitgesloten van diverse beroepen en economische activiteiten. In 1941 en begin 1942 werd het voor Joodse ondernemers en straathandelaren nagenoeg onmogelijk gemaakt om hun beroep nog uit te oefenen door het intrekken van vergunningen.
Het Rijksarbeidsbureau speelde een centrale rol in de registratie en controle van de beroepsbevolking onder toezicht van de bezetter. Het feit dat deze "venters" hun vergunningen moesten inleveren, was onderdeel van het proces om hen volledig brodeloos te maken en hun bewegingsvrijheid in de stad te beperken. Deze administratieve "opschoning" vond plaats op het moment dat de grootschalige deportaties naar de concentratie- en vernietigingskampen (die medio juli 1942 begonnen) in gang werden gezet.
Samenvatting
De brief is een formele ambtelijke mededeling waarin wordt verwezen naar een eerdere correspondentie uit februari 1942. De schrijver stuurt een bijlage (die hier niet aanwezig is) met een lijst van "Joodsche venters". Deze straatverkopers hebben verzuimd hun "v. v." in te leveren. De afkorting "v. v." staat hoogstwaarschijnlijk voor vergunningsbewijzen of specifiek ventvergunningen.
De verschillende nummers in rode inkt en potlood duiden op een strikte archivering en dossierbeheer binnen de bureaucratie van de bezettingstijd. De toon is zakelijk en procedureel, wat typerend is voor de administratieve afhandeling van de uitsluiting van Joodse burgers uit het economische leven.
Historische Context
Dit document stamt uit juli 1942, een kritieke fase in de Duitse bezetting van Nederland. Vanaf 1940 werden Joden stelselmatig uitgesloten van diverse beroepen en economische activiteiten. In 1941 en begin 1942 werd het voor Joodse ondernemers en straathandelaren nagenoeg onmogelijk gemaakt om hun beroep nog uit te oefenen door het intrekken van vergunningen.
Het Rijksarbeidsbureau speelde een centrale rol in de registratie en controle van de beroepsbevolking onder toezicht van de bezetter. Het feit dat deze "venters" hun vergunningen moesten inleveren, was onderdeel van het proces om hen volledig brodeloos te maken en hun bewegingsvrijheid in de stad te beperken. Deze administratieve "opschoning" vond plaats op het moment dat de grootschalige deportaties naar de concentratie- en vernietigingskampen (die medio juli 1942 begonnen) in gang werden gezet.