Handgeschreven brief (ingekomen post).
Origineel
Handgeschreven brief (ingekomen post). 3 april 1942. [Stempel/Kenmerk:] № 10/3/72 M. 1942 7/4
Sellinger-Beetse 3 April 1942
Den Heer Directeur Gemeentelijke
Dienst, Marktwezen te Amsterdam.
Wel. Ed. Heer!
Naar aanleiding een schrijven door mij
gericht aan het Rijks Bureau voor Materialen en
afvalstoffen te Den Haag d d 22-3-’42 ontving
ik het hierbij gevoegd schrijven en verzoek U be-
leefd mij dit te willen retourneren. De inhoud van
dat schrijven is als volgt. Ik ben n.l. door een
controleur van Uw Bureau verkeerd ingelicht.
Deze zeide mij n.l. dat ik mijn ventvergunning
moest inleveren omdat er een Algemeen Ventverbod
was uitgevaardigd. Ik heb aan dit verzoek voldaan
doch ben echter later gewaar geworden als dat men
opgeroepen moest worden door de Joodsche Raad.
Ik heb nimmer of nooit tot op heden aan toe zoo
een schrijven ontvangen. U kunt hiernaar informeren
bij de Joodsche Raad te Amsterdam ik heb ook een
gelijk schrijven gericht tot den Heer Directeur Geweste-
lijk Arbeidsbureau welk schrijven ik U hierbij insluit.
Ik verzoek U beleefd mij ook dit te willen retourneren. Mijn
verzoek is n.l. U te vragen of U zoo goed zou willen zijn
om mij in het bezit te stellen van mijn vergunning
Ik ben n.l. bonafide Lompenventer mijn adres is
[In de marge links in rood potlood:]
nog niet bijgevoegd In deze brief protesteert een Joodse lompenhandelaar (venter) tegen de inname van zijn ventvergunning door de Dienst Marktwezen van Amsterdam. De kern van het betoog is dat de schrijver zich door een controleur misleid voelt. De controleur stelde dat er een "algemeen ventverbod" gold, terwijl de schrijver er later achter kwam dat hij zijn vergunning pas had hoeven inleveren als hij daarvoor een specifieke oproep van de Joodsche Raad had ontvangen.
Omdat hij een dergelijke oproep nooit heeft gehad, beschouwt hij de inname als onrechtmatig of prematuur en verzoekt hij om teruggave van zijn documenten zodat hij zijn beroep als "bonafide lompenventer" kan blijven uitoefenen. De rode kanttekening ("nog niet bijgevoegd") suggereert dat de genoemde bijlagen bij ontvangst op het bureau ontbraken. Het document dateert van april 1942, een cruciale fase in de Tweede Wereldoorlog waarin de anti-Joodse maatregelen in Nederland door de Duitse bezetter werden aangescherpt.
- Economische uitsluiting: Vanaf 1941 werden Joden stelselmatig uit het economische leven geweerd. In 1942 werd het voor Joodse straathandelaren nagenoeg onmogelijk gemaakt om hun werk voort te zetten door het intrekken van vergunningen.
- De Joodsche Raad: De brief vermeldt de Joodsche Raad als de instantie die de communicatie over deze maatregelen reguleerde. Dit laat zien hoe de bezetter de Raad gebruikte om verordeningen (zoals de inlevering van vergunningen) uit te voeren.
- Sellinger-Beetse: De afzender schrijft vanuit Sellinger-Beetse (Groningen). In deze regio bevonden zich werkkampen (zoals Kamp Sellingerbeetse) waar Joodse mannen uit onder andere Amsterdam werden tewerkgesteld in de werkverschaffing voordat de grootschalige deportaties naar de vernietigingskampen in de zomer van 1942 begonnen. De brief is een getuigenis van een burger die via bureaucratische weg probeert vast te houden aan zijn bestaansmiddelen, onwetend van de naderende escalatie van de vervolging. Marktwezen