Handgeschreven brief.
Origineel
Handgeschreven brief. 17 april 1942. Onbekend (geen naam onderaan deze pagina zichtbaar, maar de inhoud duidt op een Joodse Amsterdammer). Amsterdam 17 april 1942
WelEdel Heer Directieur
Aangaande mijn schrijven dezer
dienaar daar ik j.l. Maandag
13 april mijn staanplaats ver-
gunning gehaald heeft van kantoor
afdeeling ventvergunningen van
Galenstraat en betaald heeft van af
1 April) nu kwam ik te hooren
dat joodsche menschen niet mogen
staanplaatsen innemen ik heb al
betaald f 1.80 nu ben ik in
Maatschappelijk Steun en wou
van steun af en kan geen
ijswage krijgen om reden dat ze
geen joodsche menschen mogen aan
nemen. ik heb mij gewend naar
het raadhuis Kamer 208 ook zei
die mijnheer ik moet wachten dat
ze mij vergunning een dezer dagen
moet in leveren ik mooge dus niet
staan. WelEdel Heer Directieur nu
kan ik dus niet betalen om reden
ik nog in steun ben ik heb op het
oogenblik hoegenaamd geen ver-
diensten en die 60 cent in de week
niet kan af nemen van mijn huis
gezin ik heb maar f 11,05 steun
hopende van U kant een raad. De brief is geschreven in een eenvoudige, fonetische stijl die typerend is voor de Amsterdamse volksklasse uit die tijd (bijv. "Directieur", "ijswage", "mooge"). De schrijver verkeert in een wanhopige financiële positie. Hij heeft getracht als zelfstandig ondernemer (ijscoventer) aan de armoede te ontsnappen en uit de "Maatschappelijk Steun" (de toenmalige bijstand) te komen.
De kern van het probleem is de bureaucratische en discriminerende klem waarin de man zit:
1. Hij heeft al f 1,80 betaald voor een vergunning.
2. Hem wordt vervolgens verteld dat hij als Jood geen staanplaats mag innemen.
3. Hij kan geen ijscowagen huren omdat bedrijven geen zaken meer mogen doen met Joden.
4. De gemeente eist de vergunning terug, maar hij heeft nog geen geld teruggezien en kan de wekelijkse lasten van 60 cent niet dragen van zijn schamele uitkering van f 11,05 voor zijn hele gezin. Dit document is een indringend bewijsstuk van de economische uitsluiting van Joden tijdens de Duitse bezetting in Nederland. In 1941 en 1942 werden er stapsgewijs steeds strengere verordeningen van kracht die Joden verboden om markten te bezoeken of daar handel te drijven.
De "Galenstraat" (Jan van Galenstraat) verwijst naar de locatie van de Amsterdamse markthallen en de bijbehorende gemeentelijke diensten. Kamer 208 in het Raadhuis was waarschijnlijk een loket waar bezwaren of administratieve zaken rondom vergunningen werden afgehandeld.
De brief illustreert hoe de nazi-maatregelen niet alleen grootschalig waren, maar ook op individueel niveau de kans op zelfredzaamheid volledig de grond in boorden. De schrijver probeert op een uiterst beleefde manier ("WelEdel Heer") om "raad" te vragen, terwijl de mazen van het net zich op dat moment in 1942 razendsnel rond de Joodse bevolking sloten. Kort na deze datum, in de zomer van 1942, begonnen de grootschalige deportaties naar de concentratie- en vernietigingskampen. Marktwezen Publieke Werken