Handgeschreven brief (verzoekschrift).
Origineel
Handgeschreven brief (verzoekschrift). 22 juli 1942. Mevr. E. Kleerekooper. [Linksboven, blauwe inkt:] № 10/3/06
[Midden boven, paars stempel:] M. 1942 [handgeschreven toevoeging:] 25/7
[Rechtsboven:] Amsterdam, 22-7-’42
Den Directeur van het Marktwezen.
Geachte Heer, [in de marge rechts:] niet gest.
Hierbij deel ik U mede, dat mijn zoon Israël Bernard Visser, steeds voor mij op de markt heeft gestaan, daar ik lijd aan suikerziekte.
Ik ben nu echter brodeloos, daar mijn zoon in een werkkamp is geplaatst.
Ik hoop echter dat U hem in de gelegenheid zult kunnen stellen zijn plaats voor mij op de markt weer te kunnen innemen.
Bij voorbaat vriendelijk dankend,
Mevr. E. Kleerekooper. De brief is een aangrijpend verzoek van een joodse vrouw aan de Amsterdamse marktmeester. Mevrouw Kleerekooper legt uit dat zij vanwege haar suikerziekte (diabetes) niet zelf op de markt kan staan en dat haar zoon, Israël Bernard Visser, dit werk altijd voor haar deed.
Nu haar zoon is opgeroepen voor een "werkkamp", is zij haar bron van inkomsten kwijt ("brodeloos"). Zij verzoekt de directeur om te bemiddelen zodat haar zoon zijn werk op de markt kan hervatten. De ambtelijke aantekening in de kantlijn ("niet gest.") suggereert dat het verzoek is afgewezen of niet in behandeling is genomen. De toon van de brief is beleefd en formeel, wat de wanhoop van de situatie onderstreept: de schrijfster probeert via de officiële weg het onvermijdelijke lot van haar zoon te keren. Dit document stamt uit juli 1942, een cruciale en vreselijke maand in de geschiedenis van de Jodenvervolging in Nederland. In deze maand begonnen de grootschalige deportaties naar de concentratie- en vernietigingskampen.
De term "werkkamp" in de brief verwijst naar de Nederlandse Joodse werkkampen die door de bezetter waren opgezet. Veel joodse mannen werden onder het voorwendsel van "tewerkstelling" uit hun gezinnen weggehaald. De brief illustreert de directe economische en sociale gevolgen van deze maatregelen voor de achterblijvers. De namen Kleerekooper en Visser zijn veelvoorkomende Amsterdams-Joodse namen. Uit archieven (zoals het Joods Monument) blijkt vaak dat personen die in deze periode naar werkkampen werden gestuurd, kort daarna via Westerbork naar kampen als Auschwitz werden gedeporteerd. De brief is daarmee een direct bewijs van de bureaucratische kilte waarmee op persoonlijke tragedies werd gereageerd tijdens de bezetting. E. Kleerekooper Kleerekooper legt (Mevrouw) Marktwezen
Samenvatting
De brief is een aangrijpend verzoek van een joodse vrouw aan de Amsterdamse marktmeester. Mevrouw Kleerekooper legt uit dat zij vanwege haar suikerziekte (diabetes) niet zelf op de markt kan staan en dat haar zoon, Israël Bernard Visser, dit werk altijd voor haar deed.
Nu haar zoon is opgeroepen voor een "werkkamp", is zij haar bron van inkomsten kwijt ("brodeloos"). Zij verzoekt de directeur om te bemiddelen zodat haar zoon zijn werk op de markt kan hervatten. De ambtelijke aantekening in de kantlijn ("niet gest.") suggereert dat het verzoek is afgewezen of niet in behandeling is genomen. De toon van de brief is beleefd en formeel, wat de wanhoop van de situatie onderstreept: de schrijfster probeert via de officiële weg het onvermijdelijke lot van haar zoon te keren.
Historische Context
Dit document stamt uit juli 1942, een cruciale en vreselijke maand in de geschiedenis van de Jodenvervolging in Nederland. In deze maand begonnen de grootschalige deportaties naar de concentratie- en vernietigingskampen.
De term "werkkamp" in de brief verwijst naar de Nederlandse Joodse werkkampen die door de bezetter waren opgezet. Veel joodse mannen werden onder het voorwendsel van "tewerkstelling" uit hun gezinnen weggehaald. De brief illustreert de directe economische en sociale gevolgen van deze maatregelen voor de achterblijvers. De namen Kleerekooper en Visser zijn veelvoorkomende Amsterdams-Joodse namen. Uit archieven (zoals het Joods Monument) blijkt vaak dat personen die in deze periode naar werkkampen werden gestuurd, kort daarna via Westerbork naar kampen als Auschwitz werden gedeporteerd. De brief is daarmee een direct bewijs van de bureaucratische kilte waarmee op persoonlijke tragedies werd gereageerd tijdens de bezetting.