Officiële brief/correspondentie van de bezettingsautoriteit.
Origineel
Officiële brief/correspondentie van de bezettingsautoriteit. 16 januari 1942 (verzending), 21/23 januari 1942 (ontvangst/verwerking). Der Reichskommissar für die besetzten niederländischen Gebiete – Der Beauftragte für die Stadt Amsterdam (namens de Rijkscommissaris de functionaris belast met het toezicht op Amsterdam). De Burgemeester van de Gemeente Amsterdam, Stadhuis. [Linksboven, rode stempel:]
№ 100/19 A.Z. 1942
[Midden boven, Duits embleem met adelaar en swastika]
DER REICHSKOMMISSAR
FÜR DIE BESETZTEN NIEDERLÄNDISCHEN GEBIETE
DER BEAUFTRAGTE
FÜR DIE STADT AMSTERDAM
Akt. Verw.
[Rechtsboven, paarse stempels:]
№ 9418 L.M. 1942 21/1
AMSTERDAM, den 16.1.1942
[Adressectie:]
An den
Bürgermeister der Gemeinde
Amsterdam,
A m s t e r d a m ,
Rathaus.
[Betreft-regel:]
Betr.: Jüdischen Straßenhändler Z o u t e und den Großhändler M a t t h a e i.
[Inhoud:]
In der Anlage übersende ich eine Niederschrift, die über den Straßenhändler Z o u t e und den Großhändler M a t t h a e i hier aufgenommen wurde. Die dem Juden Zoute abgenommenen Ausweise
die "ventvergunning der Gemeinde Amsterdam"
die " Erkenningskaart Ned.Groenten en Fruitcentrale"
den "Legitimatiebeweis für den Centralen Markt"
die "Toegangskaart für den Centralen Markt"
füge ich in der Anlage bei.
[Handtekening, onleesbaar - mogelijk Völckers of een adjudant]
Anl.
[Linksonder, rood kaderstempel:]
NR 100/19 A.Z. 1942
van Burgemeester: weth. L.M. , v.v.b. [voor verdere behandeling]
Datum 21 JAN. 1942 Paraaf [Handtekening]
[Rechtsonder, blauw kaderstempel met handgeschreven tekst:]
De Wethouder voor de Levensmiddelen, Wasch- en Schoonmaak-, Bad- en Zweminrichtingen stelt deze in handen van den Heer Directeur van het Marktwezen om ter verdere behandeling.
A'dam, 23 Januari 1942
[Handtekening: Delwig]
[Helemaal onderaan, paarse stempel:]
№ 10/3/10 M. 1942 23/1 Dit document is een administratief bewijsstuk van de systematische uitsluiting van Joden uit het economische leven in Amsterdam tijdens de Tweede Wereldoorlog. De Beauftragte (de Duitse toezichthouder op het Amsterdamse gemeentebestuur) informeert de burgemeester dat de vergunningen van een Joodse straathandelaar genaamd Zoute zijn afgepakt.
De genoemde documenten (ventvergunning, erkenningskaart van de Groenten- en Fruitcentrale, en toegangsbewijzen voor de Centrale Markthallen) waren essentieel voor de uitoefening van het beroep van handelaar. Door deze in te trekken, werd de betrokkene direct in zijn levensonderhoud getroffen. De brief vermeldt ook een groothandelaar (Matthaei), wat erop wijst dat de Duitse autoriteiten ook de handelsrelaties tussen Joodse handelaren en niet-Joodse toeleveranciers onderzochten.
De stempels onderaan tonen de ambtelijke weg binnen het Amsterdamse stadhuis: van de burgemeester naar de Wethouder van Levensmiddelen (in 1942 was dit de pro-Duitse wethouder J.J. van der Velde, wiens afdeling hier getekend is door de secretaris Delwig), om uiteindelijk bij de Directeur van het Marktwezen terecht te komen voor de definitieve administratieve verwerking van de intrekking. In januari 1942 was de uitsluiting van Joden uit de Nederlandse samenleving in een verregaande fase beland. Sinds 1941 waren er talloze verordeningen van kracht die Joden verboden om bepaalde beroepen uit te oefenen of deel te nemen aan markten. De beruchte verordening 198/1941 had al de basis gelegd voor het verwijderen van Joden uit het bedrijfsleven.
Dit document illustreert de nauwe samenwerking (gedwongen of vrijwillig) tussen de Duitse bezetter en het Nederlandse gemeentelijke apparaat. Hoewel de opdracht van de Duitse Beauftragte kwam, werd de uitvoering (het daadwerkelijk schrappen uit de registers van het Marktwezen) door Nederlandse ambtenaren op het stadhuis afgehandeld. Voor de handelaar Zoute was dit document de aankondiging van totale economische rechteloosheid, vaak een voorbode van latere deportatie.