Notulen van een commissievergadering (waarschijnlijk een gemeentelijke commissie voor de afgifte van ventvergunningen).
Origineel
Notulen van een commissievergadering (waarschijnlijk een gemeentelijke commissie voor de afgifte van ventvergunningen). -3-
pelyken Steun onjuist is.
De heer Neeter wyst op de verklaring van den agent van politie; spreker is van meening, dat dit een voldoende bewys is, dat de man van het venten zyn beroep heeft gemaakt. Het feit, dat adressant twaalf dagen te laat heeft aangevraagd, wil spreker niet te zwaar laten gelden.
De heer Presser wyst erop, dat Maatschappelyke Steun nooit accepteert, dat een bona-fide venter vyf jaar zyn bedryf neerlegt, om in de huishouding te werken.
De Voorzitter wyst erop, dat Welman beslist een ventvergunning zou hebben gekregen, mits hy in 1935 maar twaalf dagen eerder had aangevraagd.
De heer Seegers handhaaft zyn standpunt. Spreker is van meening, dat de gegevens elkaar te veel tegenspreken.
De heeren Seegers en Presser zyn tegen het verleenen van een ventvergunning.
De heeren Neeter, Van 't Hek en Gaaikema zyn ervoor.
Met drie stemmen voor en twee stemmen tegen wordt mitsdien besloten op de onderhavige aanvraag gunstig te adviseeren.
Verzoek van J.Vermey om hem alsnog een ventvergunning te verleenen; om advies aan de Commissie gezonden onder No. 62/434 L.M.1937.
De Voorzitter deelt mede, dat adressant destyds tydig zyn aanvrage voor een ventvergunning heeft ingediend, doch deze aanvrage is niet ingewilligd. Zyn naam is op 22 Februari 1934 op de sollicitantenlyst geplaatst. Thans legt verzoeker een verklaring over van een agent van politie, waaruit blykt, dat hy van 1921 tot ± 1930 van het venten te Amsterdam zyn beroep heeft gemaakt; van 1930 tot December 1932 is hy als ladingschryver in dienst geweest van het Amsterdamsche Westelyk Entrepôt; daarna is hy geplaatst by de Haven-Arbeidersreserve. Spreker wyst op de standpunten der Commissie, neergelegd in de notulen van de 52ste vergadering (geval Kempen) en van de 56ste Dit document bevat de verslaglegging van beraadslagingen over individuele aanvragen voor ventvergunningen. Er worden twee casussen besproken:
- Casus Welman: Er is discussie over de legitimiteit van de aanvrager als beroepsventer. De heer Neeter steunt de aanvraag op basis van een politieverklaring en wil een lichte termijnoverschrijding door de vingers zien. De heren Presser en Seegers zijn tegen, waarbij Presser twijfelt aan de status van de venter omdat deze vijf jaar niet heeft gevent. Met een meerderheid van 3 tegen 2 stemmen (Neeter, Van 't Hek, Gaaikema vs. Seegers, Presser) wordt besloten positief te adviseren over de vergunning.
- Casus J. Vermey: Een nieuwe aanvraag van iemand die al sinds 1934 op de wachtlijst staat. Er wordt bewijs overgelegd (politieverklaring) dat de man een lange historie heeft als venter (1921-1930) voordat hij in de haven ging werken (Westelijk Entrepôt en de Haven-Arbeidersreserve). De voorzitter refereert aan eerdere precedenten (de gevallen Kempen) om de besluitvorming te kaderen. De tekst weerspiegelt de strikte regulering van straathandel in de jaren '30, een periode van grote werkloosheid tijdens de Grote Depressie. Ventvergunningen waren schaars en essentieel voor het levensonderhoud van velen die buiten het reguliere arbeidsproces vielen. De commissie fungeerde als een filter om te bepalen wie 'bona-fide' venters waren en wie niet.
Interessant is de vermelding van de Haven-Arbeidersreserve. Dit was een systeem in de Amsterdamse haven bedoeld om het werk te verdelen onder een vaste groep arbeiders tijdens perioden van wisselende drukte, wat aangeeft dat de aanvrager Vermey waarschijnlijk door de economische malaise in de haven zijn inkomen elders (namelijk in de straathandel) probeerde aan te vullen of te herstellen. De betrokkenheid van de "Maatschappelyke Steun" (de toenmalige sociale dienst) onderstreept dat deze vergunningen ook een middel waren om de druk op de publieke armenzorg te verlichten. J. Vermey Neeter (De heer) Neeter steunt (De heer) Presser (De heer) Seegers (De heer) Politie